
Deze lezing (zie video) is gehouden op zaterdag 26 juli in Cradock/Nxuba tijdens de jaarlijkse Etienne van Heerden Veldsoirée, dat onderdeel is van het LitNet25 Afrikaanse Skrywersberaad. De volledige tekst wordt hieronder weergegeven.
Etienne van Heerden was de eerste Afrikaanse schrijver die ik persoonlijk ontmoette.
Ik studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap aan de VU, de Vrije Universiteit in Amsterdam. Eind 1991 gaf Wium van Zyl van de Universiteit van Wes-Kaapland, als eerste gastdocent uit Zuid-Afrika na het opheffen van de culturele boycot, aan de VU een serie van zes colleges over Afrikaanse literatuur. Hij was op het vliegtuig gestapt met een zware doos Afrikaanse boeken onder de arm, en één van de romans die hij had meegebracht, was Toorberg van Etienne van Heerden.
Een paar maanden later volgde een tweede gastdocent: literatuurhistoricus en biograaf John Kannemeyer. Terwijl Van Zyl zich richtte op romans en korte verhalen, opende Kannemeyer voor ons de wereld van de Afrikaanse poëzie.
In juni 1992 kreeg ik een uitnodiging om te lunchen met Etienne en zijn Nederlandse vertaalster, Riet de Jong-Goossens. Ik vermoed dat Kannemeyer dat had bedisseld. De lunch vond plaats in een middagpauze tijdens het congres “Taal en Identiteit: Afrikaans & Nederlands” in de Pieterskerk in Leiden, georganiseerd door Vernon February. Dit congres was een belangrijke gebeurtenis, omdat het academici van binnen en buiten Zuid-Afrika bij elkaar bracht die decennialang aan verschillende kanten van het politieke spectrum hadden gestaan. Deelnemers waren onder anderen Neville Alexander, Hein Willemse, Elize Botha, Achmat Davids en Fritz Ponelis uit Zuid-Afrika, en feministisch literatuurwetenschapper Maaike Meijer en woordenboekmaker Hans Heestermans uit Nederland; ook waren er deelnemers uit Vlaanderen en Suriname. Achteraf wordt dit congres beschouwd als een mijlpaal in de totstandkoming van de hernieuwde banden tussen Zuid-Afrikaanse en Nederlandse academici na de apartheid.
Ik was 23, en mijn kennis van de Afrikaanse literatuur ging niet verder dan wat ik bij Van Zyl en Kannemeyer had geleerd. O ja, en ik schreef af en toe wel eens wat voor de boekenbijlage van het destijds toonaangevende weekblad Vrij Nederland. Riet had een lange lijst met detaillistische vragen over het boek van Etienne dat ze aan het vertalen was. Ik zat er maar zo’n beetje bij, me afvragend waar ik de eer aan verdiend had, en deed mijn best om niet op te vallen.
Tót ik een spin over tafel zag lopen. Nou ben ik doodsbang voor spinnen. Maar ik was nog banger om het gesprek, dat voor Riet heel belangrijk was, te verstoren. Dus bleef ik stokstijf zitten, mijn angst verbijtend.
Maar Etienne verveelde zich, met al die vragen van Riet, en hij zocht een manier om het gesprek in een andere richting te sturen. “Ag sies tog”, zei hij. “Is jy bang vir ’n spinnekop? Moenie Suid-Afrika toe kom nie. Daar het ons spinnekoppe so groot soos ’n man se hand.”
Het waren boeken zoals Toorberg en woorden als “spinnekop” die mij in 1993 tóch naar Zuid-Afrika lokten. In Nederland zat ik in het vierde jaar van mijn studie; in Zuid-Afrika mocht ik gastcolleges geven bij Wium van Zyl aan de Universiteit van Wes-Kaapland en bij Etienne aan de Rhodes University in Grahamstad (nu Makhanda). Stellenbosch zou mijn thuisbasis worden, en ruim 30 jaar later beschouw ik dat dorp nog steeds als mijn home away from home.
Eén herinnering blijft me bij. Etienne haalde me na een rit van 13 uur af bij het busstation van de Interkaap in Port Elizabeth (nu Gqeberha), en bracht me naar zijn huis in Grahamstad. Toen we daar aankwamen, had Kaia het eten al klaar. Maar Etienne beduidde me dat ik heel stil moest zijn, en troonde me op kousenvoeten mee naar de kinderkamer, waar Imke en Menán, allebei nog klein, lagen te slapen. Ik denk dat hij vandaag nog steeds even trots op zijn dochters is als toen.
Maandblad Zuid-Afrika – tijdschrift en website
Wat begon als een stage van een half jaar in Zuid-Afrika, werd voor mij een verblijf van drie jaar. Ik zou onder meer het voorrecht hebben om in 1994 de eerste democratische verkiezingen van dichtbij mee te maken. In 1994 studeerde ik af aan de VU op een scriptie waarin ik de jonge N.P. van Wyk Louw plaatste in het West-Europese intellectuele debat van zijn tijd.
Eind 1996 keerde ik terug naar Nederland. Doordeweeks stond ik voor de klas. In het weekend werkte ik aan de Afrikaanse equivalenten in Van Dale’s meertalige Groot Spreekwoordenboek en vertaalde ik, onder meer, Magersfontein, o Magersfontein! van Etienne Leroux. Ook publiceerde ik hier en daar recensies en interviews over Zuid-Afrikaanse literatuur.
Tussen 2002 en 2005 deed ik, als promovenda aan de Universiteit Utrecht, onderzoek naar mogelijke Nederlandse invloeden bij het ontstaan van de Afrikaanstalige literatuur in de tijd van de Tweede Afrikaanse Taalbeweging. Door omstandigheden zou ik mijn proefschrift niet afmaken, en ik keerde maar weer terug naar het onderwijs. Maar ergens in die periode ontdekte ik sociale media. En ik merkte twee dingen: ik zocht níet naar mijn collega’s van school, maar wél naar mijn Zuid-Afrikaanse vrienden. En naar schrijvers. Etienne werd een van mijn eerste Facebookvrienden. Toen wist ik het: mijn hart ligt niet bij het onderwijs, maar bij Zuid-Afrika en de literatuur.
Dus toen ik in 2012 hoofdredacteur kon worden van Maandblad Zuid-Afrika, het tijdschrift van de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging (de NZAV), twijfelde ik geen seconde. De NZAV was één van een aantal op Zuid-Afrika gerichte organisaties die zetelden in het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam. In 2016 zouden de meeste van die organisaties fuseren, en samen verder gaan als Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland.
Voor wie het niet kent: het Zuid-Afrikahuis is een kenniscentrum over Zuid-Afrika, gevestigd in een 17e-eeuws herenhuis aan de Keizersgracht. De ontstaansgeschiedenis van het Huis gaat terug naar de steun van de Nederlanders aan de strijd van de dappere “Boeren”, het “stamverwante volk overzee”, tijdens Eerste Boerenoorlog in de jaren 80 van de 19e eeuw. Vandaag omvat het Huis onder meer een bibliotheek met de grootste verzameling Zuid-Afrikaanse boeken buiten Zuid-Afrika, en een uitgebreid historisch archief dat hoofdzakelijk betrekking heeft op de relatie tussen Nederland en Zuid-Afrika in de 19e en vroege 20e eeuw. Toen N.P. van Wyk Louw in de jaren vijftig hoogleraar werd in Amsterdam, zou hij in het Zuid-Afrikahuis zijn colleges geven, en in de jaren ‘60 gebruikte Ingrid Jonker Keizersgracht 141 als postadres en wachtte ze er op brieven van André Brink. Tussen 2014 en 2016 is het gebouw met financiële steun van Naspers ingrijpend gerenoveerd, en sindsdien bevindt zich in het Zuid-Afrikahuis ook een appartement waar journalisten van Media24 steeds twee maanden mogen logeren om kennis te maken met Amsterdam, Nederland en Europa.
Als gevolg van zijn ontstaansgeschiedenis en de hechte culturele banden met de Afrikaners had het Zuid-Afrikahuis tot in de jaren negentig een conservatief imago. Maar sinds het einde van de apartheid in Zuid-Afrika is ook het Zuid-Afrikahuis ingrijpend veranderd. Ena Jansen, die van 2002 tot 2016 bijzonder hoogleraar Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde aan het Huis verbonden was, speelde daarbij een belangrijke rol. Angelie Sens, directeur van het Zuid-Afrikahuis tussen maart 2020 en maart 2025, heeft die ontwikkeling verder doorgezet.

Het Zuid-Afrikahuis, Keizersgracht 141c, Amsterdam
Maandblad Zuid-Afrika had als doel Nederlandse lezers te informeren over de politiek, economie, geschiedenis, maatschappelijke thema’s en kunst en cultuur van Zuid-Afrika. Dankzij de inbreng van Hans Ester, gedurende tientallen jaren, besteedde het blad ook altijd veel aandacht aan Afrikaanse en Zuid-Afrikaanse literatuur. Zelf gebruikte ik mijn jaarlijkse vakantie in Zuid-Afrika om interviews te doen met schrijvers, artiesten en wetenschappers. Op die manier bouwde ik een netwerk op dat me later goed van pas zou komen.
In 2018 besloten we als redactie de verschijningsfrequentie terug te brengen van 10 naar 4 keer per jaar, en veranderden we de naam in Zuid-Afrika Spectrum. Eind 2019 besloot het bestuur van het Zuid-Afrikahuis te stoppen met de papieren uitgave. Het doet me plezier dat de door mij bedachte naam Spectrum, die de rijkdom en verscheidenheid van de Zuid-Afrikaanse cultuur moest uitdrukken, voortleeft als titel van het online platform van het Zuid-Afrikahuis, waarop nog steeds regelmatig nieuwe artikelen te lezen zijn.

Twee covers van Maandblad Zuid-Afrika
Maandblad Zuid-Afrika was een tijdschrift dat niet in de winkels lag. Het werd alleen verstuurd aan de leden van de NZAV, een schamele 800 in totaal. Ik zag het als deel van mijn taak om de bekendheid van het maandblad te vergroten.
Een logische stap was om het papieren tijdschrift van 24 pagina’s aan te vullen met een website. Hierop konden we aandacht besteden aan onderwerpen waarvoor binnen het beperkte bestek van het tijdschrift geen ruimte was. Dat gold bijvoorbeeld voor ‘lekkerleesboeke’, een genre dat in Zuid-Afrika na de politieke omwenteling van de jaren 90 sterk in opkomst was. Ik geef toe dat ik de Facebook-groep “Lekkerleesboekrak” hiervoor schaamteloos als voorbeeld nam. Ik vond Alta Cloete bereid om recensies te schrijven over historische en psychologische romans (o.a. Irma Joubert en Chanette Paul), Marion Erskine over thrillers en speurverhalen (o.a. Deon Meyer en Rudie van Rensburg), en Solet Scheeres over moderne en historische kinder- en jeugdliteratuur. Naast de afdeling “lekkerleesboeke” bevatte de site ook een vertaalrubriek onder redactie van Rob van der Veer, waarin vertalers Afrikaans-Nederlands reflecteerden op een vertaalprobleem uit het boek dat ze onder handen hadden. Omdat deze activiteiten buiten het budget van het papieren tijdschrift vielen, kon ik de medewerkers van de website geen honorarium bieden; iedereen deed het uit liefde voor de zaak. Met de naam Maandblad Zuid-Afrika verdween in 2018 ook de gelijknamige website. De bijdragen aan Rob van der Veers Vertaalatelier zijn toen overgenomen op Voertaal.
Ontstaan Week van de Afrikaanse roman
Nog steeds op zoek naar meer naamsbekendheid voor het blad, was ik meteen geïnteresseerd toen ik werd benaderd door de Afrikaanse schrijver Louis Krüger, die sinds de jaren tachtig in Nederland woont. Enkele van zijn romans waren in Nederlandse vertaling verschenen bij de christelijke uitgeverij Mozaïek. Mozaïek opereerde in een nichemarkt, maar tegelijk boekte de uitgeverij op dat moment opvallende successen met de vertaling van het werk van Irma Joubert.

Louis Kruger

Irma Joubert op het bordes van het Zuid-Afrikahuis, Amsterdam
In korte tijd werden er in Nederland ruim 40.000 exemplaren van haar historische romans verkocht. Louis wilde van mij weten of ik dacht dat Irma’s werk ook buiten het christelijke circuit zou kunnen aanslaan. Was het mogelijk een brug te slaan tussen de trouwe lezers van Mozaïek en het bredere literaire publiek – het publiek dat in Nederland vaak “de grachtengordel” wordt genoemd?
In Nederland heb je verschillende dagen, weken en maanden waarin een bepaald soort boeken extra in het zonnetje wordt gezet, zoals de Dag van de Poëzie, de Kinderboekenweek, de Maand van de Geschiedenis of de Maand van het Spannende Boek. “O”, zei ik tegen Louis, “je bedoelt een Maand van de Afrikaanse roman, met Afrikaanse schrijvers die een maand lang kriskras door het land trekken?”
Zo ontstond het idee. Alleen realiseerde ik me al snel dat de meeste Afrikaanse schrijvers geen tijd hadden om hun baan en hun gezin in Zuid-Afrika achter te laten om een volle maand in Nederland rond te hangen. En, om een stuk of vijf schrijvers in te vliegen en ze ook nog eens vier weken in een hotel onder te brengen, zou een klein fortuin kosten. Ik moest dus mijn ambities bijstellen: het werd de Week van de Afrikaanse roman.
Om te leren hoe je een leesbevorderingscampagne organiseert, ging ik met allerlei deskundigen praten: mijn favoriete boekhandelaar, de programmeur van mijn favoriete theater, en het Hoofd Denken – fantastische functietitel – van het CPNB, de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, de organisatie achter de Boekenweek en al die andere “boekbemarkingsveldtogte”. Ik kreeg onder meer te horen dat de dagen van een eenvoudige boekpresentatie met hooguit een kopje koffie erbij voorbij waren. Er moesten interessante culinaire hapjes bij komen, en muziek. Ook kreeg ik kritische vragen over de samenstelling van de line-up. Schrijvers uit Afrika, en er zat geen enkele zwarte schrijver bij? Wat was ik voor racist? Van dat laatste leerde ik dat ik in Nederland niet alleen zendingswerk moest doen voor de Afrikaanstalige literatuur, maar ook voor het Afrikaans als taal. Taal en literatuur gingen hand in hand. We moesten duidelijk uitleggen hoe – en onder invloed van welke talen – het Afrikaans is ontstaan, hoe de demografie van het Afrikaans eruitziet, en wat de positie van het Afrikaans is in post-apartheid Zuid-Afrika.
De eerste Week van de Afrikaanse roman moest samenvallen met het al eerder geplande bezoek van Irma Joubert aan Nederland, in de laatste week van september. Irma zou dan de Publieksprijs voor het Christelijke Boek in de categorie vertaalde fictie in ontvangst nemen.
Eind september was ook een gunstig moment voor de boekwinkels, maar helaas nog te vroeg in het jaar voor de universiteiten, zeker in Vlaanderen. Want voor mij stond het vanaf het begin vast dat de grens tussen Nederland en Vlaanderen, voor schrijvers die allie pad uit Zuid-Afrika komen, arbitrair is. Dat we Vlaanderen ook zouden betrekken, viel ook goed bij sommige subsidiefondsen, waaronder de Taalunie en het Algemeen Nederlands Verbond.
De Week in praktijk
Natuurlijk had ik al die evenementen nooit alléén kunnen organiseren. Ik legde contact met plaatselijke boekwinkels, theaters, festivals en universiteiten. Zij hadden de zalen, een vast publiek en connecties met de lokale pers. “De Week” leverde de schrijvers, en de lokale partners zouden daar, met hun kennis en ervaring, hún ding mee doen. Fijne bondgenoten waren bijvoorbeeld Writers Unlimited, Spui25, Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam, PEN Nederland, Vlaams-Nederlands Huis De Buren in Brussel, de universiteiten van Gent, Leuven, Amsterdam, Utrecht, Leiden en Groningen, en natuurlijk het Zuid-Afrikahuis. Ook de Zuid-Afrikaanse ambassade – met name in de persoon van cultureel attaché Lindsay Louis – was altijd zeer ondersteunend.

Met Sonja Loots, Irma Joubert en Kirby van der Merwe op de achterbank; foto: Etienne van Heerden (voorin naast bestuurder Jente Rhebergen)
Het eerste jaar gebruikten we vooral het openbaar vervoer, en reden we verder rond in het geleende autootje van de moeder van een van onze vrijwilligers. Later zijn we, omwille van de veiligheid en het voortbestaan van de Afrikaanse literatuur, toch maar busjes mét chauffeur gaan inhuren.
De voorbereiding van de Week deed ik grotendeels alleen: fondsen werven, schrijvers uitnodigen, contact leggen met lokale partners, alle administratie rond verblijf, vluchten en visa, en de publiciteit. Gelukkig was er een vrijwilliger, Karen, die me hielp met de website, en tijdens de Week reisden er altijd twee of drie vrijwilligers – Jente, Philip, Laura, Elize – met ons mee om te helpen met hand- en spandiensten. Eén vrijwilliger wil ik hier speciaal noemen: Maurice, een Amsterdamse “handhaver” (een soort politieman) die als chauffeur optrad toen Etienne en Marita van der Vyver in België moesten optreden. Tussen Etienne en Maurice is sindsdien een kostbare vriendschap ontstaan.
Op deze manier heeft er in 2014, 2016, 2017 en 2019 in totaal vier keer een Week van de Afrikaanse roman plaatsgevonden. Het was de bedoeling dat de Week elke twee jaar zou plaatsvinden, maar doordat het Festival voor het Afrikaans in 2016 na drie jaar terugkwam (toen onder de noemer AKA – Afrikaanse Kultuurfees Amsterdam), werd in onderling overleg besloten beide evenementen voortaan af te wisselen: het Festival in de even, en de Week in de oneven jaren.

Schrijvers 2014: Kirby van der Merwe, Marita van der Vyver, Irma Joubert, Etienne van Heerden en Sonja Loots
In 2014 waren de deelnemers van de Week Irma Joubert, Etienne van Heerden, Marita van der Vyver, Kirby van der Merwe en Sonja Loots. De muzikale begeleiding werd verzorgd door de Nederlandse zanger en gitarist Joep Pelt, die al een paar keer in Zuid-Afrika was geweest en die later een fantastisch project zou opzetten met oude én jonge muzikanten uit de townships, “Soweto Soul!”.

Schrijvers 2016: Francois Smith, Marita van der Vyver, Simon Bruinders, Marlene van Niekerk, Ena Jansen en Lien Botha
In 2016 waren de deelnemers (formeel) Lien Botha, Simon Bruinders, Ena Jansen, Marlene van Niekerk, Francois Smith en zangeres Karin Hougaard.

2017: Willem Anker, Rudie van Rensburg, Andries Bezuidenhout, Ingrid Winterbach en (gast) Deidre le Hanie van de ATKV

2017: Karien Brits en Suzie Matlhola van het Afrikaans-in-Soweto-project

2017: Amy Jephta
In 2017 waren de deelnemers Willem Anker, Amy Jephta, Rudie van Rensburg en Ingrid Winterbach, Suzie Matlhola en Karien Brits van het Afrikaans-in-Soweto-project van de ATKV, en singer-songwriter en dichter Andries Bezuidenhout, de rockster van de Afrikaanse literatuur.

2019: Eben Venter, Riana Scheepers, Pieter Odendaal, Valda Jansen, Karin Brynard, Frazer Barry
In 2019 waren de deelnemers Karin Brynard, Valda Jansen, Pieter Odendaal, Riana Scheepers en Eben Venter, terwijl Frazer en Deniel Barry voor de muzikale omlijsting zorgden. Terwijl ik bij de voorbereiding van dit praatje oude foto’s doorbladerde, merkte ik dat er ook vaak Afrikaanse schrijvers en artiesten bij ons aanhaakten, omdat ze toch in de buurt waren, zoals Chanette Paul en Jannie du Toit. Zij versterkten het programma, en wij gaven hopelijk ruchtbaarheid aan hún optredens in Nederland en Vlaanderen. Omdat Marita van der Vyver – jullie zagen haar al een paar keer op de foto’s – voor Nederland en Vlaanderen relatief dichtbij woont, in Frankrijk, mag zij van mij áltijd meedoen.
De Week als vliegwiel
Hoe werden de schrijvers geselecteerd?
Allereerst was het belangrijk dat er altijd minstens één iconische schrijver bij zat. Want waarom zou je een internationaal publiek lastigvallen met schrijvers die in eigen land minder bekend zijn? In 2014 was dat Etienne van Heerden, in 2016 Marlene van Niekerk, in 2017 Ingrid Winterbach en in 2019 Eben Venter. Ik weet niet precies hoe je “iconisch” definieert, maar een van de redenen waarom de Week na 2019 is gestopt, was wat mij betreft ook dat een taal en literatuur slechts een beperkt aantal iconische schrijvers kunnen hebben. Alle deelnemers moesten, net als avocado’s en wijn, van “export-kwaliteit” zijn.
Ik inventariseerde altijd even bij de vertalers Afrikaans-Nederlands of zij vertalingen in voorbereiding hadden, en ik overlegde ook met Zuid-Afrikaanse uitgevers. Maar wat die laatsten betreft, moest ik toch mijn eigen keuzes maken, omdat voor uitgevers het commerciële belang voorop staat, en ik moest beoordelen welke schrijvers met hun verhalen zouden aanslaan bij het Nederlandse publiek.
De beschikbaarheid van Nederlandse vertalingen speelde een grote rol. Als er boeken verkocht konden worden, maakten boekwinkels makkelijker hun deuren open voor onze schrijverskaravaan. Bovendien vormt het Afrikaans voor veel Nederlanders een taalbarrière. Zeker voor wie nog nooit met het Afrikaans in aanraking is geweest, is het prettiger om eerst een boek in Nederlandse vertaling te lezen.
Voor een uitgever is het echter kostbaar om een vertaling op de markt te brengen. Naast de gebruikelijke productie-, distributie- en marketingkosten betaal je ook voor de rechten die bij de uitgever of de schrijver berusten, en het honorarium van de vertaler. Daarom is het fantastisch – en strategisch slim – dat PEN Afrikaans een vertalersbeurs heeft ingesteld om buitenlandse uitgevers te ondersteunen bij de uitgave van Afrikaanse boeken in vertaling. In Nederland worden vertalingen van Nederlandse literatuur via het Letterenfonds gesubsidieerd door de Nederlandse overheid. In Zuid-Afrika is deze financiële steun voor het Afrikaans overgenomen door niet-gouvernementele organisaties.
Het mooie is dat de Week ook heeft geleid tot nieuwe Nederlandse vertalingen. Je kunt je voorstellen dat uitgevers eerder geneigd waren een Afrikaanse roman in vertaling uit te brengen als ze wisten dat de Week de schrijver naar Nederland bracht voor boekpresentaties en media-optredens. Wonderboom van Lien Botha en Die troebel tyd van Ingrid Winterbach zijn mede dankzij de Week door een Nederlandse uitgever ontdekt.
Voor Nederlandse en Vlaamse lezers is het bijna onmogelijk boeken rechtstreeks uit Zuid-Afrika te bestellen. De levertijd is lang, bestellingen raken kwijt, portokosten en invoerbelasting zijn hoog. Ondanks de gunstige wisselkoers worden Zuid-Afrikaanse boeken daardoor relatief duur. E-boeken waren in Nederland, waar je in bijna elke straat een boekwinkel hebt, zeker in de tijd vóór de coronapandemie, nog minder ingeburgerd dan in Zuid-Afrika, waar afstand een grotere rol speelt.
Helaas hebben Zuid-Afrikaanse uitgevers het nooit aangedurfd om ter ondersteuning van de Week dozen met boeken naar Nederland te verschepen. NB Uitgewers was wel bereid boeken van deelnemende schrijvers versneld beschikbaar te stellen via printing-on-demand, maar daar waagden Nederlandse boekwinkels zich niet aan. Anders dan academische boekwinkels maken gewone commerciële boekwinkels nauwelijks gebruik van printing-on-demand, en al zeker niet zonder dat een klant een boek expliciet bestelt. Want wie een individueel boek laat printen, heeft geen recht van retour als het niet verkocht wordt. Op het laatst vroegen we de schrijvers maar om zoveel mogelijk boeken in hun koffer mee te nemen, al konden ze daar bij de douane weer problemen mee krijgen. “Twintig boeken?!” “Nee hoor, niet voor de verkoop, allemaal cadeaus.”

Tijdens de Week van de Afrikaanse roman 2014 ontving vertaalster Riet de Jong-Goossens (rechts) een erepenning van de SA Akademie vir Wetenskap en Kuns.

Drie bekende vertalers Afrikaans-Nederlands: Karina van Santen, Martine Vosmaer en Rob van der Veer (2014)
Vertaling speelde sowieso een belangrijke rol. In samenwerking met het Expertise Centrum Literair Vertalen, het Nederlands Letterenfonds en het Vertalershuis in Amsterdam organiseerden we vertaaldebatten. Tijdens het eerste debat, in 2014, ontving Riet de Jong-Goossens een erepenning van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. Ook waren er vertaalworkshops, waarbij professionele vertalers zich bogen over een fragment uit het werk van een van de schrijvers en deze het hemd van het lijf konden vragen. Schrijvers vonden het geweldig om te zien hoe Nederlandse vertalers zich het hoofd braken over formuleringen die in het Afrikaans zo vanzelfsprekend leken.
Ook plaatsten we op de website van de Week altijd een actuele lijst van alle in de tussenliggende jaren verschenen vertalingen – zowel proza als poëzie. Die lijst speelde later nog een belangrijke rol in het contact met Cees Klapwijk van de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren (DBNL). Tijdens de openingsavond van de Week in 2014 lanceerde de DBNL een speciale afdeling met literaire en historische bronnen uit en over Zuid-Afrika.
Culturele uitwisseling
Omdat het in het begin het makkelijkst was om optredens bij boekwinkels te regelen, lag de focus vooral op romans – het bestverkochte genre in Nederland. Over die keuze kregen we soms vragen. Gelukkig hadden we ook onze muzikanten: Karin Hougaard, Andries Bezuidenhout en Frazer en Deniel Barry. Simon Bruinders en Amy Jephta vertegenwoordigden de wereld van film en toneel. Simon speelde moeiteloos fragmenten uit zijn roman Die sideboard als een toneelmonoloog. En met Pieter Odendaal smokkelden we in het laatste jaar toch nog een dichter binnen.

Joep Pelt (2014)

Karin Hougaard en Mart-Marie Snyman (2016)

Simon Bruinders (2016)

Amy Jephta (2017)

Andries Bezuidenhout (2017)

Frazer en Deniel Barry (2019)
Vaak traden de deelnemers samen op, zoals bij de grootschalige openings- en slotavonden in Amsterdam of Den Haag, en bij Herman van Veen op zijn landgoed De Paltz. Maar soms gingen ze ook alleen op pad, om maar zoveel mogelijk verschillende gehoren te bereiken. Ik vroeg de schrijvers van tevoren altijd of ze specifieke wensen hadden. Zo werd er voor Karin Brynard een ontmoeting met Nederlandse journalisten geregeld, en voor Ingrid Winterbach, Andries Bezuidenhout en Rudie van Rensburg een lunch met Zuid-Afrikaanse schilders die als artist in residence in Nederland verbleven, op uitnodiging van de Thami Mnyele Stichting. Suzi Matlhola en Karien Brits van het Afrikaans-in-Soweto-project bezochten een school en het Kinderboekenmuseum in Den Haag en Amy Jephta volgde grotendeels een eigen programma in samenwerking met het Afrovibes Festival, waarin de nadruk lag op creative writing en toneel. Riana Scheepers schitterde onder meer tijdens een koffieochtend voor expats in het Zuid-Afrikahuis.
Nog een aspect van de Week was dat er uitwisseling plaats moest vinden. De Afrikaanse schrijvers kwamen niet alleen brengen, ze moesten ook luisteren en in gesprek gaan met Nederlandse en Vlaamse schrijvers. Zo vonden er ontmoetingen plaats met Adriaan van Dis, Tom Lanoye, Vonne van der Meer, Karin Amatmoekrim, Vamba Sherif, Christine Otten, Marion Bloem, Simone Atangana Bekono en Abdelkader Benali. Uit deze contacten zijn er sindsdien nieuwe samenwerkingsprojecten ontstaan en in die zin strekt de invloed van de Week ver de toekomst in.

Marlene Dumas-tentoonstelling, Stedelijk Museum Amsterdam (2014)

Rijksmuseum, Amsterdam (2016)

Letterenhuis, Antwerpen (2019)

Rijksmuseum, Amsterdam (2019)
Daarnaast vonden er verschillende museumbezoeken plaats. In 2014 bezochten de schrijvers in het Stedelijk Museum in Amsterdam een grote tentoonstelling van Marlene Dumas, de Zuid-Afrikaanse schilder die al sinds de jaren 70 in Nederland woont en die daar is uitgegroeid tot – internationaal – de best betaalde, nog levende, vrouwelijke beeldend kunstenaar van deze tijd. In 2016 gingen de schrijvers op bezoek bij de conservator van het Rijksmuseum om te praten over de grote Zuid-Afrika-tentoonstelling die daar in 2017 zou worden gehouden, en in 2019 werden ze opnieuw achter de schermen ontvangen om van gedachten te wisselen over de grote slavernijtentoonstelling die later dat jaar zou plaatsvinden. Ook brachten ze in 2019 een bezoek aan Vêrlander, een tentoonstelling van portretfoto’s van nazaten van zeelieden van de VOC en de inheemse bevolking van Zuid-Afrika, Indonesië en Australië in het Vestingmuseum in Naarden. In Vlaanderen bezochten de schrijvers onder meer het Museum voor Schone Kunsten in Brussel, het Letterenhuis in Antwerpen en het Poëziecentrum in Gent.

Ena Jansen (uiterst rechts) bij een beeld door Mary Sibande (2016)
Ena Jansen trad met Soos familie, haar boek over het beeld van huiswerkers in de Zuid-Afrikaanse literatuur, een keer op tegen de achtergrond van een tentoonstelling van werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Mary Sibande – met haar typerende beelden van de huiswerker Sophie.

Tijdelijke tentoonstelling van objecten m.b.t. de Afrikaanse literatuur uit het archief van het Letterkundig Museum in Den Haag (2016)
Maar het meest bijzonder, denk ik, was dat Ena Jansen en ik in 2016 (samen met vrijwilliger Jente Rhebergen) een eigen tentoonstelling mochten inrichten van documenten uit het archief van het Literatuurmuseum, het walhalla van de Nederlandse letteren, in Den Haag.
Impact?
Elk jaar trokken we, met alle evenementen bij elkaar, tijdens de Week zo’n 1300 bezoekers. We gingen ervan uit dat het bereik groter was dan de bezoekersaantallen alleen door de aandacht die de schrijvers in de Nederlandse media kregen, via artikelen in de krant of via radio-interviews.
Het absolute hoogtepunt was toen Adriaan van Dis – toen wij op dinsdagavond in een halfleeg zaaltje in Hoofddorp zaten – reclame voor de Week maakte in het destijds razend populaire tv-programma De Wereld Draait Door. Je ziet hier een foto van een tv-scherm op dat moment, met op de achtergrond het logo van de Week ontworpen door Nathan Trantraal. We hadden Nathan gevraagd iets te maken dat ‘Afrika’ uitstraalde. Wat je ziet, is een boek dat niet is gekocht, maar bij de bibliotheek geleend, want mensen van de Kaapse Vlakte bezitten geen boeken. En waar bij uitgaven van Penguin Books een pinguïn staat, staat hier een eigenzinnig nijlpaard. Die avond kreeg de website van de Week in één klap 2000 bezoekers – een aantal dat nooit meer is geëvenaard.

Adriaan van Dis (links) vertelt op de Nederlandse televisie over de Week van de Afrikaanse Roman
Het was echter niet makkelijk om media-aandacht te trekken, en eerlijk gezegd werd dat elk jaar minder – ook omdat steeds minder uitgeverijen nog bereid waren vertaalde boeken van onze schrijvers uit te brengen. In 2014 konden we in dat opzicht nog meeliften op de belangstelling voor de Nederlandse vertaling van Klimtol van Etienne van Heerden, in 2016 op die van Die sideboard van Simon Bruinders en Soos familie van Ena Jansen. Maar in 2017 en 2019 waren er geen recente vertalingen om de Week momentum te geven – niet voor de boekwinkels, en niet voor de media. Het werd ook steeds moeilijker de zalen gevuld te krijgen, want in Nederland en Vlaanderen heeft de Afrikaanse literatuur – hoe goed en interessant ook – concurrentie van literatuur vertaald uit alle talen van de wereld. Toen de “iconische schrijvers” min of meer op raakten, vond ik het daarom beter de Week niet ten alle kosten voort te zetten. Dat zou ook niet eerlijk zijn tegenover de lokale partners die de bijeenkomsten voor ons organiseerden. Zeg nooit nooit. En misschien staat er ooit iemand anders op die kansen ziet om dit project voor te zetten. Maar voorlopig houd ik het erop dat de Week van de Afrikaanse Roman op het juiste moment is gestopt.
De media-aandacht werkte ook op een andere manier. De Week kreeg veel belangstelling van Zuid-Afrikaanse media. Onder meer Skrywers en boeke op RSG, Netwerk24, LitNet en Voertaal besteedden er aandacht aan, met interviews en reportages. En er zijn twee volledige afleveringen van KykNET Fiesta aan de Week gewijd. Voor ons was dat net zo belangrijk, omdat het de status van de schrijvers, de Afrikaanse literatuur én het Afrikaans in eigen land versterkte, en het Zuid-Afrikaanse publiek hopelijk een idee gaf van de oprechte bewondering voor het werk van Afrikaanse schrijvers en artiesten in het Nederlandse taalgebied.
Ik ben ervan overtuigd dat de Week van de Afrikaanse roman in veel opzichten een succes was. De deelnemende schrijvers en artiesten kregen een fantastische onderdompeling in de Nederlandse en Vlaamse cultuur. Eén schrijver zei: “Ik stond in het Van Gogh Museum naar een schilderij te kijken, en ineens wist ik waar mijn volgende boek over moet gaan.” Of dat boek er ooit is gekomen, weet ik niet. Maar ik hoop dat de Week de schrijvers geïnspireerd heeft, en dat het hun visie heeft verbreed. Ook onderling ontstonden er bijzondere vriendschappen.
Het Nederlandse publiek ontdekte dat Afrikaanse schrijvers meesterlijke vertellers zijn en dat de (beste) Afrikaanse literatuur over zeer wezenlijke onderwerpen ging. Yves T’Sjoen noemde de Week in het Vlaamse tijdschrift KNACK al in 2014 een “vliegwiel” dat allerlei ontwikkelingen in een stroomversnelling heeft gebracht, en dat was het ook.
Maar commercieel was de Week geen succes. Niemand kreeg betaald – de schrijvers niet, en ik ook niet. Dat hoefde ook niet. We deden het, opnieuw, uit liefde, uit hart voor de zaak. Maar we waren volledig afhankelijk van subsidies, die steeds moeilijker te krijgen waren. In Zuid-Afrika ontstond een tendens dat de grote fondsen hun geld alleen nog maar in eigen land wilden uitgeven. Daar heb ik respect voor, want de noden in Zuid-Afrika zijn groot – zeker in vergelijking met Nederland en Vlaanderen. Maar taal, literatuur en cultuur kunnen zelden op zichzelf bestaan. Zonder subsidies gaat het niet. Als je de positie van het Afrikaans wilt versterken, moet je ervoor zorgen dat die taal – bij monde van zijn schrijvers, artiesten en wetenschappers – ook internationaal meepraat.
Festival voor het Afrikaans
Toen ik na de eerste Week van 2014 weer eens in Stellenbosch was, wilden Etienne en Kaia mij – om me te bedanken – mee uit eten nemen. Het zou mijn eerste bezoek aan het fameuze restaurant Decamaron worden, en toen we uit de auto stapten, aarzelde ik welke kant we uit moesten. “Ag”, zei Etienne, “ek is so gewoond om agter jou aan te loop. Jy is mos ons hoofmeisie.” Zo is mijn bijnaam “hoofmeisie van Afrikaans in die Lae Lande” ontstaan. Een geuzennaam die ik jarenlang met trots heb gedragen, en die Carla van der Spuy zelfs als titel heeft gebruikt voor een interview met mij in Vrouekeur. Via Borg ’n woord heb ik een aandeel in “hoofmeisie” in het WAT genomen.

Hoofmeisie loopt voorop. (Foto: Etienne van Heerden)
Eind 2017 werd duidelijk dat het Festival voor het Afrikaans, dat in 2011 en in 2013 georganiseerd was door Joris Cornelissen, en dat in 2016 door Carina Claassens, Gideon van Eeden en Michael Ricketts nieuw leven in was geblazen, opnieuw op sterven na dood was. Dat mocht niet gebeuren, het Festival was een belangrijk podium voor Afrikaanse cultuur in Nederland. Daarom zetten Isabelle Vermeij, evenementencoördinator van het Zuid-Afrikahuis, en ik onze schouders eronder. Om jullie een indruk te geven, laat ik jullie gauw de aftermovie van het Festival in 2018 zien, vervaardigd door de Zuid-Afrikaanse documentaire filmmaker Philip du Plessis, iemand die door de jaren heen als vrijwilliger ook veel voor de Week van de Afrikaanse roman heeft betekend.
Het Festival voor het Afrikaans 2018 was echt een succes, met een behoorlijke opkomst, redelijke media-aandacht, goedkoper dan de vorige edities, en we slaagden er zelfs in om binnen het budget te blijven. Even leek het erop dat het Festival eindelijk een stevige grondslag had gevonden. Maar in 2020 brak de coronacrisis uit, en het festival zou pas in september 2023 terugkeren – dit keer met onder meer Stef Bos, Amanda Strydom, Antjie Krog, Marlo Minnaar en Marianne Thamm in de line-up.

Festival voor het Afrikaans 2023, met onder meer Frazer en Deniel Barry en Dean Balie, Marianne Thamm en Amanda Strydom
Net als bij de Week van de Afrikaanse roman kwam de organisatie, en ook het financiële risico dat aan zo’n onderneming vastzit, in 2023 vrijwel helemaal op mij neer. Toen de directeur van theater De Regentes in Den Haag vroeg waar het geld vandaan moest komen als de kaartverkoop tegenviel, zei ik letterlijk: “Ik heb geld apart gezet voor mijn doodskist.” Die precaire situatie heeft me wel aan het denken gezet. Het hoort gewoon niet dat zo’n festival afhankelijk is van de wilskracht – want dat was het – van één persoon, en dat die persoon dan ook nog eens het financiële risico moet dragen. Toen ik in 2022 de Prestasiebeurs van de Van Ewijck Stigting in ontvangst mocht nemen, deed ik een oproep aan Zuid-Afrika om evenementen in Nederland met kennis en kunde terzijde te staan. Ik wist van mezelf dat ik commercieel inzicht miste. Net als bij de Week had ik had geen idee hoe ik het Festival winstgevend kon maken. Deze oproep is destijds op Voertaal gepubliceerd, en ik heb de tekst ook aan Netwerk24 gestuurd. Maar er kwam geen respons.
Na het Festival van 2023 moest ik een besluit nemen. Het was tijd om eindelijk eens aan mijn eigen toekomst te denken. Gelukkig vond ik snel een mooie baan, mét pensioen. Maar om daar echt iets van te maken, moest ik mijn activiteiten rond het Afrikaans grotendeels stopzetten. Mijn dagen als hoofmeisie waren voorbij.

Toch heb ik alle vertrouwen in de toekomst van het Festival voor het Afrikaans. Sinds 1 juni heeft het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam namelijk een nieuwe directeur: Susan Coetzee-Van Rooy. Voor het eerst in de geschiedenis van het Huis is dat iemand die geboren is in Zuid-Afrika. Susan is taalwetenschapper, verbonden aan de Noordwes-Universiteit, en woont sinds enkele jaren in Nederland. Nu combineert ze haar werk bij NWU met haar werk als directeur van het Zuid-Afrikahuis.
Kort voordat ik naar Zuid-Afrika vertrok, heb ik haar opgezocht. Wat me meteen opviel, was hoe de sfeer in het Huis veranderd is sinds haar komst. In de ruim dertig jaar dat ik er kom, heb ik nog nooit een drukkie van de directeur gekregen! Susan verzekerde me dat het Zuid-Afrikahuis nu de verantwoordelijkheid wil nemen voor het Festival. Bij de slotbraai een week later werd deze boodschap door verschillende bestuursleden bevestigd: het vaste voornemen om het Festival terug te brengen – waarschijnlijk in 2027.
Voor het eerst krijgt het Festival dankzij het Zuid-Afrikahuis een stevige institutionele basis – iets waar ik altijd voor heb gepleit. Ook Zuid-Afrikahuis kan zo’n enorm festival niet alleen dragen; er zal altijd financiële en praktische ondersteuning vanuit Zuid-Afrika nodig zijn. Maar ik kan me geen mooiere uitkomst wensen. Hoofmeisie legt het tuig neer. Maar ik zie de toekomst van het Festival met vertrouwen tegemoet.
- Foto’s: Hans Mooren, Elize Zorgman en Zuid-Afrikahuis
Lees ook:
SJ Naudé: In watter saal word gepraat? Hoe ver trek die klank?
Ingrid Glorie: ATR-Kokertoekenning 2019: bedankingswoord vanaf Ingrid Glorie
Eureka Barnard, Menán van Heerden en Izak de Vries: SASNEV met die Van Ewijck Stigting se prestasieprys vereer
Geraldine Reymenants: België en Suid-Afrika: 30 jaar se betrekkinge
Jean Oosthuizen: Alfred Schaffer, digter van drie wêrelddele
Ingrid Glorie en Yves T'Sjoen: De nieuwe leerstoel in Zuid-Afrika gaat verder dan de traditionele neerlandistiek
Melt Myburgh, Yves T'Sjoen en Louise Viljoen: Gent-Universiteit hang solank die vlae uit vir Antjie se koms
Carina van der Walt: Belangrike samewerkingsooreenkoms tussen Akademies onderteken
Jean Oosthuizen: Die vergete erfenis van Suid-Afrikaanse Nederlandse literatuur
PEN Afrikaans: Afrikaanse boeke in Nederland
Skrywersresidensie: Brussel tot Karoo
Lees die ander bydraes hier:
Veldsoirée-borge/Veldsoirée sponsors


Die Tuishuise & Victoria Manor




Kommentaar
Ai, Ingrid, dankie vir soveel wonderlike herinneringe. Al jou ondernemings was altyd vir my soos manna in die woestyn. Een aand in Culemborg by 'Andries' sal ek vir altyd onthou, want dit was die laaste keer dat die kameraman wat die geleentheid geskiet het, Piet Snyman, by ons gekuier het. Nie lank daarna nie is hy oorlede. By die laaste festival het ek die kans gekry om 'n gesprek te lei (ly). Dit was angstaanjagend om die minste te sê, maar 'n ervaring wat ek nooit sal vergeet nie. Dankie ook vir die geleentheid om vir Maandblad Zuid-Afrika te kon skryf! Jy was die beste hoofmeisie ooit.