Opperlandse overpeinzingen van een neerlandist V

  • 1

Monoloog in vijf scherven

Ter nagedachtenis aan Hugo Brandt Corstius (1935-2014)

Op 22 en 23 november 2019 sprak ik op uitnodiging van José Vandekerckhove op de Conferentie Onderwijs Nederlands HSN, acroniem voor Het Schoolvak Nederlands. Het referaat in de sectie Taal- en Letterkunde is gehouden in de Hogeschool Windesheim (Campus Zwolle). Met het oog op de bijeenkomst van leerkrachten en universitaire collega’s Nederlands, vakdidactici, onderwijsbegeleiders en inspectie bewerkte ik eerder gepubliceerde bijdragen over de studie van het Nederlands in de Lage Landen. Ik vulde passages aan en structureerde de bevindingen in een essay. De coauteurs van enkele opinieteksten ben ik ten zeerste erkentelijk voor de gedachtewisseling, met name Carl de Strycker, Alicja Gescinska en Jacques van Keymeulen. Vandaag het slotdeel. 

In een veelkleurige wereld van culturele diversiteit en meertaligheid is het opmerkelijk dat universiteitsaula’s van Vlaamse universiteiten nog steeds zo overwegend wit zijn. Raymonda Verdyck, directeur van GO! (Gemeenschapsonderwijs Vlaanderen), becommentarieerde enkele maanden geleden een van de pijnpunten van het onderwijs: “… het gebrek aan diversiteit onder leerkrachten. In de lerarenopleiding zitten vooral ‘witte middenklasse-jongeren’ die nauwelijks in aanraking komen met diversiteit.” Gesprekspartner in het interview, Lieven Boeve (directeur van Katholiek Onderwijs Vlaanderen), stelde dat “een tweede democratisering van het onderwijs” noodzakelijk is: “Willen wij nieuwkomers wel alle kansen geven? Willen wij hen volwaardig opnemen in onze samenleving?” Waren dit maar retorische vragen, denk ik tijdens het lezen.

Canon als discussiepunt

In de week dat de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren (KANTL) de aangepaste canon van de Nederlandstalige literatuur presenteert (op 26 juni 2020), vijf jaar na de canon “50+1”, mag ik mij enkele beschouwingen permitteren. U weet wel, de constructie van een canon: een tijdverdrijf voor “enk’le fijne luiden”, samengesteld door professoren en schrijvers die zich in geheim conclaaf buigen over eindeloos veel titels. Eerst wordt na bekendmaking de compromislijst fel bekritiseerd, want niemand behalve deze geleerden en schrijvers zijn het eens over wie en wat de Nederlandse literatuur representeert anno 2020. Of beter: ze zijn het onderling ook al niet eens. Vervolgens gaat het stof liggen, want niemand geeft er verder om. De canon is een marketingproduct. Hij is de aanleiding voor een discussie, zo wordt hij publiek verdedigd. Vraag is of we voor een gesprek over literatuur eigenlijk wel een canon nodig hebben. En waarom die voorzet, gewikt en gewogen, de aanleiding moet zijn. Ieder zijn of haar canon is de realiteit. Naar analogie van Van Ostaijens “Huldegedicht aan Singer”:

ik wil een canon
iedereen een canon
canon
heeft Hans Sachs geen canon
waarom heeft Hans Sachs geen canon
Hans Sachs heeft recht op een canon
Hans Sachs moet een canon hebben
Jawel
            dat is zijn recht.

Laat mij de discussie verder opentrekken, want ideologische, imagologische en esthetische canondiscussies hebben we al genoeg. Hedendaagse lezers verwachten van literatuur iets helemaal anders dan het devies van een academische commissie. Jongeren hebben aan het begin van het derde decennium dezer eeuw andere opvattingen over literatuur dan de commissie. “50+1” heeft dat voldoende aangetoond. De canon is per definitie een anachronisme, een fossiel, de steriele antagonist van de springlevende, knetterende letteren.

De canon mag wat meer kleur hebben. Nederlandse literatuur is historisch gesproken op vele plekken in de wereld geschreven, en dat gebeurt thans nog. Eerst een vaststelling: de participatie van jongeren met een migratieachtergrond in het universitair onderwijs is bedroevend laag. De universiteitsaula’s zijn geenszins een afspiegeling van de maatschappelijke realiteit. De universiteiten stellen veel in het werk om bredere lagen van de bevolking te bereiken, en dus een toenemende groep van jongeren te engageren; jonge mensen die veelal hier zijn geboren en getogen maar de weg naar het hoger onderwijs niet of nauwelijks vinden. Mogelijk is een van de drempels wat Verdyck als fait accompli naar voren schuift: “Wie vroeg naar school gaat, bouwt een voorsprong op. Ik denk aan de taalverwerving, maar ook de verwerving van onze cultuur.” De hamvraag is wat de spreker verstaat onder “onze cultuur”. Over de “Vlaamse canon” is de afgelopen maanden veel inkt gevloeid, méér dan alleen de literaire canon van de KANTL, zeker toen de Vlaamse regering vorig jaar bekendmaakte dat een Vlaamse canon moet worden geconstrueerd en gedeeld op school. De storm is in coronatijd even gaan liggen.

Uit de debatten en menig opiniestuk mag blijken dat geen consensus bestaat over wat een canon precies behelst; of een canon überhaupt nodig is, wie de samenstelling bepaalt, hoe dynamisch of statisch hij dan wel is. In een geglobaliseerde wereld is cultuur (“onze cultuur”) geen exclusief binnenlands product, geen statisch gebouw van onomkeerbare data en onweerlegbare visies. Cultuur is een volatiele en open biotoop waarin zogeheten nieuwkomers hun aandeel hebben, waarin de beeldvorming van en het discours over wat we cultuur noemen geen unisonore (“witte-mensen”-) aangelegenheid is. Cultuur is een permanente dialoog, of beter een onstandvastige polyfonie. De canon is hoogstens een forum voor discussie, met de bedoeling ieder compromis over namen en titels meteen weer ter discussie te stellen. De Vlaamse canon of Vlaamse culturele identiteit bestaat alleen in het hoofd van degenen die zich erover uitspreken en zich een identiteit toe-eigenen. Het identitaire denken dus. Zij is niet het privilege van een elite, een ideologie, een geschiedenis, laat staan van een politieke partij, laat staan een conglomeraat van geleerden. De canon is cultureel divers en doet een appèl aan een veelkleurige gemeenschap, de gebruiker van de canon vandaag. Zo niet kan die terug in de kast. Tot hier de canon. Laten we het over veelkleurigheid hebben.

Masteropleiding en culturele diversiteit

Wanneer de topman van de katholieke onderwijskoepel een oproep lanceert voor “een tweede democratisering van het onderwijs”, ruim vijftig jaar na de jaren zestig, dan is dit niet alleen veelzeggend. De realisatie van dit ambitieuze voornemen is andere koek. Indien het basis- en middelbaar onderwijs er niet in slaagt in de doelstellingen (het bewustzijn van) diversiteit hoger op de agenda te plaatsen, studenten SLO (lerarenopleiding) bewuster te maken van een volstrekt ander doelpubliek dan pakweg twee of drie decennia geleden, dan is de uitspraak een slag in het water. Niet alleen de lerarenopleiding veronderstelt een herziening van het curriculum. De handboeken met begin- en eindcompetenties dienen grondig te worden herschreven. Startende leerkrachten, vers van de schoolbanken, ervaren naar verluidt een ware “cultuurshock” wanneer ze voor een veelkleurige klas staan. Ze zijn niet klaar voor de klassen waarin ze terechtkomen. Indien dat effectief het geval is, zoals recent onderzoek aantoont, moeten het onderwijsaanbod en de verwachtingshorizon worden herzien. De nieuw geconcipieerde Educatieve Master, dit academiejaar operationeel, biedt ongekende mogelijkheden. De nieuwe masteropleiding legt de lat hoog en wil tegemoet komen aan desiderata die hier en in interviews naar voren worden geschoven. Het nijpende lerarentekort, niet alleen voor talen maar ook voor wiskunde en wetenschappen, is een aanleiding om de opleiding en dus ook de job weer aantrekkelijk te maken, meer maatschappelijk respect af te dwingen. De opleidingsverantwoordelijkheid voor de nieuwe master is ontzettend groot.

Taalverwerving en cultureel bewustzijn

Taalverwerving is een cruciaal gegeven. Het onderwijs moet de gelegenheid bieden ook aan “nieuwkomers” (“mensen met een migratieachtergrond”) en inssluitend niet-Nederlandstalige moedertaalsprekers, om op jonge leeftijd de taal van onze regio te leren. Geen tussentaal of een lokale variëteit, maar goed Nederlands. Dat geldt voor alle gebruikers van het Nederlands. Een uitstekende taalbeheersing is fundamenteel om onderwijstrajecten met succes te volgen en in de maatschappij te functioneren. Het hoger onderwijs moet in die richting meegaan. Een voorwaarde voor meer kleur in de auditoria is aandacht voor taal, voor meertaligheid, te beginnen met het onderwijs in het Nederlands. Wie de taal beheerst, kan ook in niet-taalvakken (in het Nederlands gedoceerd) excelleren. Het is de verantwoordelijkheid van hogescholen en universiteiten te blijven investeren in Nederlandstalig onderwijs. Floris Cohen schrijft hierover in De ideale universiteit. Ontwerp van een uitvoerbaar alternatief (2020): “Onze hele wijze van denken, en daarmee ook wát we zoal denken, wordt medebepaald en ook medegevormd door de taal waarin we denken, en geen taal ter wereld stelt ons tot zo rijk, zo ordelijk, zo genuanceerd en zo kritisch denken in staat als de taal waarin we (in de regel door het toeval van onze geboorte) zijn grootgebracht.”

Hogescholen en universiteiten moeten de leraren van morgen een opleiding aanbieden op maat van de superdiverse maatschappij waarin ze het beroep zullen uitoefenen.

Breek de canon open en kijk naar buiten

In het curriculum van middelbare scholen en universitair onderwijs, met aandacht voor taalvaardigheid, begrijpend lezen, kritisch denken, kennis en nieuwsgierigheid, kan niet langer worden volstaan met het doceren van een Nederlandse of een Vlaamse canon. Laat studenten nadenken over canoniseringsprocessen en de ideologieën of culturele beeldconstructies die eraan ten grondslag liggen. Het concept van de Nederlandse literatuur is met de maatschappelijke veranderingen ook aanzienlijk gewijzigd. Willen we belangstelling blijven generen voor de literatuur in ons taalgebied, moet de omgang met dat concept dynamischer en opener zijn. In een wereld van culturele diversiteit en meertaligheid wacht ook voor de neerlandistiek een aanzienlijke uitdaging. Collega Matthijs Sanders wees er eerder op (zie https://www.neerlandistiek.nl/2019/08/nederlandse-letterkunde-een-zonnige-toekomst/). Nederlandse literatuur wordt voortaan beter in internationaal perspectief gelezen en bestudeerd, met aandacht voor de specificiteit van Nederlandstalige literaire teksten tegen de achtergrond van een wereld in transitie. Het heeft geen zin vandaag alleen canonieke teksten te bespreken uit de schatkamer der Nederlandse letteren in een verondersteld maar onbestaand mono-cultureel perspectief. Studenten van de Educatieve Master, binnenkort voor een gekleurde klas waarin culturele diversiteit de samenstelling van de leerlingenpopulatie bepaalt, zijn méér gebaat bij een internationale kijk, bijvoorbeeld op literatuur, dan een eendimensionale en dus reductionistische visie. Door hun leerlingen te prikkelen, met bijvoorbeeld spannende verhalen over cultuurtransmissie en dialogen tussen literaturen in verschillende talen, zullen zij ertoe bijdragen dat de immense kloof tussen de middelbare school en de universiteit makkelijker te overbruggen is. Laten we literatuur hoe dan ook meer ruimte bieden op school. Wat we Nederlandse literatuur noemen, is een brede passe-partout. De multiculturele belangstelling wordt erdoor aangescherpt, het blikveld verbreed, de wereld en de mensen worden in geestelijke zin rijker.

Veeltaligheid van de Nederlandse literatuur

De voorwaarde voor deelname van niet uitsluitend “witte middenklas-jongeren” aan een lerarenopleiding in het hoger onderwijs, vandaag de realiteit, is dat die studenten (“nieuwkomers”) zich aangesproken weten, met een opleidingsomgeving worden geconfronteerd die van deze tijd is en niet van een vorige eeuw. Een veroordeling om “onze cultuur” te moeten verwerven, wat die ook moge zijn, kan niet het uitgangspunt zijn. Mijn vurige wens is over Nederlandstalige literatuur te kunnen spreken voor een veelkleurig publiek, met studenten teksten te lezen die zij aan andere cultuur- en taalgebieden ontlenen, die hun afkomst of culturele beleving mee bepalen: in een tweespraak. De Taalunie Zomercursus Nederlands, met jaarlijks 120 buitenlandse studenten (binnenkort in de lange geschiedenis voor het eerst online, met 95 ingeschreven studenten), en de vele gastcolleges op uitnodiging van buitenlandse docenten, lossen voor mij de verwachtingen in. In die dialoog kan ik iets vertellen over wat ik beschouw als Nederlandse literatuur, en dat is ook maar een constructie. De studentenpopulatie, bijvoorbeeld in de opleiding Taal- en Letterkunde (Nederlands), is weinig cultureel gedifferentieerd, geen spiegel van de veelkleurige schoolklassen in het middelbaar onderwijs (niet in alle scholen) waar Nederlands wordt gegeven. Met studenten Nederlands, in de nabije toekomst hopelijk niet uitsluitend een groep bestaande uit “witte middenklasse-jongeren”, wens ik op die manier over onze literatuur in het meervoud te spreken: multicultureel, veeltalig en divers. Niet met een canon onder de arm. Literatuur, ook in het Nederlands, wens ik te zien als een flonkerende regenboog van intertaligheid, meerstemmigheid en culturele diversiteit.

Ik sluit af met een sonnet van Gerrit Komrij.

Taalverlies

Ik weet niet wat mijn taal bijzonder maakt.
Het zijn de kleinigheden, de nuance,
De woorden waar je zomaar, onbewaakt,
Een zin mee maakt, terwijl de klinkers dansen.

Het is het nonchalante wapenfeit,
Betekenis die uit de chaos groeit,
Het is de maat, de muzikaliteit,
De mengelmoes, terwijl je toch niet knoeit.

Ik was het in een droom een keertje kwijt.
Wel sprak ik in een menigte van talen,
Maar toch, mijn moedertaal was er niet bij.

Er hingen zware mistbanken om mij.
Mijn woorden waren lege noodsignalen.
De wereld was met sintels geplaveid.

Ik heb gezegd.

Bronnen

Jacques van Keymeulen en Yves T’Sjoen, “Stilaan wordt ook leerkracht Nederlands een knelpuntberoep”, Knack Magazine (www.knack.be, 9 juli 2018).

Yves T’Sjoen, “Tegen de uitverkoop van het Nederlands op academisch niveau moeten we blijven protesteren”, Neerlandia. Nederlands-Vlaams tijdschrift voor taal, cultuur en maatschappij 122 (2018) 3, p. 27-29.

Yves T’Sjoen en Carl de Strycker, “Diploma talen? Meer waard dan je denkt”, in De Standaard, 14 februari 2019, p. 37.

Yves T’Sjoen, “Maak de neerlandistiek intercultureel. Uitdagingen voor de studie van de Nederlandse literatuur”, Neerlandia. Nederlands-Vlaams tijdschrift voor taal, cultuur en maatschappij 123 (2019) 1 (https://www.anv.nl/tijdschrift/inhoudsopgaven/2019-1/maak-de-neerlandistiek-intercultureel/).

Alicja Gescinska en Yves T’Sjoen, “Meer tijd voor taal nodig”, in De Morgen, 5 april 2019, p. 23.

Yves T’Sjoen, “Meertaligheid en literatuuronderwijs”, https://www.neerlandistiek.nl/2019/04/meertaligheid-en-literatuuronderwijs/ (15 april 2019). (Ook opgenomen in de nieuwsbrief van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek.)

Yves T’Sjoen, “Aandacht voor taal en meertaligheid is nodig om meer kleur in de auditoria te brengen”, Knack Magazine (https://www.knack.be/nieuws/onderwijs/aandacht-voor-taal-en-meertaligheid-is-nodig-om-meer-kleur-in-de-auditoria-te-brengen/article-opinion-1511817.html, 22 september 2019).

Yves T’Sjoen, “Promotie van talenstudies door de overheid zal niet voldoende zijn om het tij te keren”, Knack Magazine (https://www.knack.be/nieuws/belgie/promotie-van-talenstudies-door-de-overheid-zal-niet-voldoende-zijn-om-het-tij-te-keren/article-opinion-1534591.html, 22 november 2019).

Yves T’Sjoen, “Méér Europa aan universiteiten in Europa”, Neerlandia. Nederlands-Vlaams tijdschrift voor taal, cultuur en maatschappij 123 (2019) 4, p. 28-29. http://taalunieversum.org/onderwijs/conferentie_het_schoolvak_nederlands/bundels/

Lees ook

Opperlandse overpeinzingen van een neerlandist

Opperlandse overpeinzingen van een neerlandist II

Opperlandse overpeinzingen van een neerlandist III

Opperlandse overpeinzingen van een neerlandist IV

  • 1

Kommentaar

  • Avatar
    Dr. Albrecht Beer

    Zeer geagte meneer Professor Dr. T´Sjoen,
    Met groot belangstelling heb ik Uw "Opperlandse overpeinzingen van een neerlandist I - V gelezen. Ik werk samen met onze Kreisheimatbund Diepholz e.V. met het doel om onze nederduitse taal (Plattdeutsch) weer op de been te helpen. Zij is en wij zijn helaas onder druk - meer nog als het Nederlands - en kijken dus uit naar bondsgenoten in taalkundige kringen niet alleen in Duitsland, maar ook in het taalverwandte buitenland. Zoals Nederland, België en Zuidafrika. Taalverschuiving is een dreiging voor het Nederlands op lange zicht in de toekomst en een feit vandag de dag voor het Nederduits. Enkele van Uw uiteengezette gedachten voor een versterking van de positie van het Nederlands in de internationale mededinging tussen de talen brachten mij op de idee om aan U te schrijven. Vooral verheug ik me over Uw aanbeveling om over de grenzen van het kerngebied van de nederlandse taal overkoepelend met verwandte talen in het buitenland samen te werken. Want dit is ook mijn idee vanuit de zicht van een vriend van onze plattduitse taal. Samen zijn wij sterk! U schrijft: "Nederlands is een huis met vele kamers." Misschien is er ook een piepklein kamertje binnen voor het Nederduits als een arme bloedverwante, wie onder een hevige taalverschuiving gebukt gaat? Dus raap ik nu alle moed bijeen en schrijf an U: Laat ons toch met elkaar samenwerken! Om U een inkijk in mijn activiteiten met de nederduitse taal te geven, hier een web-adres: https://www.kreisheimatbunddiepholz.de/fachbereiche-arbeitsgruppen/fachbereich-2-plattdüütsch-alltohoop/
    Helaas is mijn Nederlands niet perfect.
    Met vriendelijke groet
    Albrecht Beer

  • Reageer

    Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


     

    Top