Ons oor te luisteren leggen bij Albert Camus

  • 1

Titel: De pest
Auteur: Albert Camus
Vertaling: Jan Pieter van der Sterre
Uitgever: Amsterdam, De Bezige Bij, 2020, 351 blz.
ISBN 9789403149202

Sedert de eerste gevallen van besmetting door covid-19 in Zuid-Afrika bekend raakten, houdt LitNet zich intens bezig met informatie over de pandemie en met detectie van gevoelens van angst, scheiding en verbanning in het kielzog van de pandemie.

Al in het midden van maart meldde Koos Kombuis dat er iets vreselijks op til was: Die hele wêreld word stil, zo schreef hij. Het virus verspreidde zich eerst schoorvoetend maar het duurde niet lang voordat het ernstige longaandoeningen, paniek en dood veroorzaakte. Op 27 maart startte Christine Barkhuizen-Le Roux de kwarantyn-ketting met haar bijdrage over Liefde en leef in die tyd van korona. De ketting heeft ondertussen al vele schakels gekregen.

Zuid-Afrika is nooit gespaard gebleven van epidemieën. De jongste voorgangers van de corona-epidemie, namelijk tuberculose en aids, woeden nog hevig voort als tweeling-epidemie. Elsabé Brink besprak onlangs het historische meesterwerk van Howard Phillips, In a time of plague. Memories of the “Spanish” flu epidemic of 1918 in South Africa, uitgegeven door de Van Riebeeck Society in 2018. Door de huidige corona-epidemie zijn we er weer bewust van geworden dat infectieziekten een deel zijn van ons leven en dat zij de kop opsteken wanneer we dat het minst verwachten.

Albert Camus (1913-1960), geschetst door Petr Vorel (bron: Wikimedia Commons). In 1957 ontving de schrijver de Nobelprijs voor de Literatuur. In 1960 kwam hij op het hoogtepunt van zijn roem om bij een verkeersongeval, toen hij samen met zijn uitgever Michel Gallimard vanuit de Provence terugreed naar Parijs. Hoe absurd de dood kan zijn, blijkt uit het feit dat Camus een treinticket op zak had maar op het laatste moment inging op de uitnodiging van zijn uitgever om met de wagen terug te keren.

Onwillekeurig moet ik terugdenken aan de verplichte lectuur die La peste was op het eind van mijn middelbare school. Toen moesten we enkele sleutelpassages uit de roman in het Frans lezen. Nu heb ik het boek helemaal gelezen, De pest, in het Nederlands. Het is uitgegeven door De Bezige Bij en op onevenaarbaar knappe wijze vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Protea Boekhuis heeft het boek in het Afrikaans uitgegeven in 2011 – vertaling: Piet de Jager. Ook verwijs ik naar de boeiende LitNet-bijdragen van Johannes Comestor over de roman en zijn auteur.

Een half jaar geleden is het covid-19-virus, een nieuw type van het coronavirus, voor het eerst opgedoken in de Chinese stad Wuhan. Sedertdien heeft het wereldwijd een spoor van ruim vier miljoen besmettingen en bijna driehonderdduizend overlijdens getrokken. Het einde is nog niet in zicht. De media volgen de epidemie, die in een flits is uitgegroeid tot een pandemie, met de grootste gretigheid. Auteurs en uitgevers haasten zich om er heuse boeken over te publiceren. Wetenschappers van alle disciplines graven in de diepte, maar omdat ze zo kort op de bal moeten spelen blijven vele vragen onbeantwoord.

De pest gaat over een fictieve pestepidemie in de Algerijnse havenstad Oran in de jaren ’40 van de vorige eeuw. Algerije was toen nog een Franse kolonie. De roman is verschenen in 1947, ruim vijfenzeventig jaar geleden. Camus begon zich te documenteren in 1941, toen het Vichy-regime in Frankrijk goed was gevestigd. Omdat er inzake menselijke relaties zoveel gelijkenissen bestaan tussen de epidemie in Oran en de huidige mondiale corona-epidemie, is het buitengewoon interessant om het boek te (her)lezen. Niet met de bedoeling om het te bespreken, want dat zou pedant zijn omdat het al de hemel in is geprezen door zovele invloedrijke recensenten.

Nog nooit heb ik dat meegemaakt: acht weken afgesneden van de meeste sociale contacten, acht weken in lockdown. Dat verwart me toch een beetje. Ik ben dus te rade gegaan bij Albert Camus om wat meer te vernemen over waar ik aan toe ben. Meer niet. De citaten die ik hieronder vermeld komen uit de Nederlandse vertaling van de roman (17e druk, 2020) – vertaling: Jan Pieter van der Sterre.

Modieus mondmasker, met liefde handgemaakt door local heroes, in een pop-up winkel in Antwerpen

“De vreselijke dagen van de pest zijn bij wie ze heeft meegemaakt niet in de herinnering blijven hangen als een onstuimige, wrede vlammenzee, maar meer als een eindeloze tredmolen, die gaandeweg alles vermorzelde.”

Camus beschrijft hoe in de mediterrane stad Oran met de komst van de eerste ratten de mensen zich vreemd beginnen te gedragen, de verwarring toeneemt, de stad rusteloos wordt en de prefect strenge veiligheidsmaatregelen moet treffen. Meer dan een pennentrek heeft de auteur niet nodig om zijn personages vlijmscherp in beeld te brengen. Die scherpte geldt evenzeer voor het verloop van de epidemie, die een tiental maanden duurt tot uiteindelijk de stadspoorten weer open gaan, de grote hereniging plaatsvindt en de stad in een vreugderoes terechtkomt. De verteller van het verhaal beschouwt zich als kroniekschrijver en wil zodoende een objectieve getuige zijn van de epidemie en van de wisselende stemmingen in de geteisterde stad.

In België worden de eerste coronabesmettingen vastgesteld wanneer de wintersporttoeristen in februari vanuit de Italiaanse skigebieden terugkeren. Het besmettingsgevaar neemt nog toe doordat er in die periode lustig carnaval wordt gevierd, wat heel wat volk op de been brengt. De verbazing van het eerste moment maakt plaats voor onzekerheid bij veel mensen met milde symptomen en bij verontruste huisartsen en zorgverleners in de ziekenhuizen. Geleidelijk groeit de ziekte uit tot een collectieve zaak. In maart stelt de federale overheid de praktijk van social distancing verplicht. Restaurants, cafés, de meeste winkels en bedrijven worden gesloten en er wordt een lockdown ingesteld, eerst een lichte versie en in april, wanneer het aantal besmettingen en doden toeneemt, een radicale versie. Zoals in Oran lijden de mensen het meest onder de scheiding van hun beminden, terwijl de verveling toeslaat omdat iedereen thuis moet blijven, een preventief contactverbod wordt opgelegd en mensen die besmet zijn of terugkeren uit het buitenland thuis in quarantaine moeten gaan.

Het grensverkeer tussen België en Nederland verloopt niet alleen langs snelwegen, maar ook langs kleine wegen die vroeger zelfs smokkelpaden waren. Aan de grens tussen Assenede en Sas van Gent is nu een container geplaatst omdat alle grensverkeer daar verboden is. (Foto: Bart Notte)

“Overigens was dat volgens iemand als dokter Rieux juist het probleem: gewenning aan wanhoop is erger dan de wanhoop zelf.”

Dokter Bernard Rieux maakt een onuitwisbare indruk op al zijn patiënten en alle partners die hij in de strijd tegen de epidemie in de stad mobiliseert. Hij laat zijn oog vallen op vrijwilligers die hulpploegen vormen om het grove werk te doen, ziekenkamers ontsmetten, zieken transporteren, graven delven, en om de noodmaatregelen in goede banen te leiden, toezicht uitoefenen in de quarantainekampen, het serum vanuit Parijs laten overkomen, statistieken bijhouden. Van al zijn partners is er een steekje los. Dit steekje los bij formalisten, mooipraters, gewichtigdoeners, beuzelaars, bureaucraten en traditionelen verleent aan het boek een beangstigende actualiteit, want die types staan ook nu klaar. In zijn bespreking (2013) van de Afrikaanse vertaling van de roman omschrijft Johann Rossouw dokter Rieux als ’n simpatieke, magtelose, stoïsynse hoofkarakter uitgelewer aan kragte veel groter as hyself. Maar de onuitwisbare indruk die de antiheld maakt, geldt ongetwijfeld ook voor de lezers, van wie ik denk dat er velen een andere kijk op het leven zullen krijgen alleen door nader kennis te maken met dokter Rieux.

De pest in Oran lijkt het speciaal begrepen te hebben op degenen die gewoonlijk in groepsverband leven: soldaten, kloosterlingen en gevangenen. De corona-epidemie vormt hierop geen uitzondering. In België hebben zich dramatische taferelen afgespeeld in de woonzorgcentra, de 21ste-eeuwse versie van rusthuizen. In deze centra verblijven kwetsbare ouderen die een gemakkelijke prooi vormen voor het virus. De maatregelen die zijn getroffen om de bewoners te beschermen zijn efficiënt geweest maar getuigen van de zwakte van een systeem van plaatsing van oudere mensen in grote instellingen, die haarden van besmetting kunnen zijn. Dat bedreigde of besmette bewoners, geïsoleerd in hun woonzorgcentrum, dienen te communiceren met hun familieleden die aan de andere zijde van het vensterraam staan, biedt een hartverscheurende aanblik.

Uitstalraam van winkel in Antwerpen, met snuisterijen en kleinoden om van te dromen in het post-corona-tijdperk

“Ik heb de onomstotelijke zekerheid dat iedereen hem onder de leden heeft, deze pest, omdat niemand, nee, niemand ter wereld eraan ontkomt. En dat je voortdurend op je hoede moet zijn om te voorkomen dat je in een moment van onoplettendheid iemand in het gezicht ademt en hem opzadelt met de infectie.”

In misschien wel een van de meest intieme gesprekken onder vrienden uit de roman beschrijft de 35-jarige Jean Tarrou, die nog maar een paar weken in Oran woont, aan dokter Rieux hoe het hem is vergaan in zijn nog jonge leven. Bovenvermelde uitspraak is van Tarrou. Met heldendom, donderpreken of morele oordelen is niemand gebaat in een epidemie van zulke omvang. Dat leer je het best wanneer je een onschuldig kind ziet sterven. Het volstaat om de problemen aan te pakken met een open vizier, gefocust te zijn op je taak, op te letten, geluk na te streven in het dagelijkse leven, vrede te bewaren en, niet te vergeten, degenen die genoeg hebben aan de mens en zijn armzalige, ontzettende liefde van tijd tot tijd te belonen met blijdschap.

Op het ogenblik dat ik dit schrijf zijn de statistieken in België hoopgevend. Het is ondertussen mei geworden. Er priemt een straaltje licht aan het eind van de tunnel. Er wordt gediscussieerd over een exit-strategie, nadat in de uiterst ingewikkelde samenleving al enkele beschermende maatregelen zijn versoepeld, vooral in de economische sfeer. Maar niets is zeker. De pest van de man met de vele levens is een verpletterende roman, een kroniek van het dagelijkse leven in een stad die tot het uiterste is gedreven en weer naar normaal wil terugkeren nadat het leed is geleden. In de roman staan de zon, de zee en menselijke warmte centraal. De zon brandt op de huid van de lezer. De zee herinnert bij elke golfslag aan de rusteloosheid van de wereld. De covid-19-pandemie heeft ons in de grootste crisis na Wereldoorlog II gestort. Of de menselijke warmte die tijdens de pandemie is doorgedrongen tot in de kleinste hoekjes van het leven zal aanhouden in de toekomst is vooralsnog een open vraag.

“De stap” van Jean Bilquin, Campus Drie Eiken – Universiteit Antwerpen. Zetten we nu een stap in het onbekende?

“En, inderdaad luisterend naar de vrolijke kreten die uit de stad kwamen, realiseerde Rieux zich dat die vrolijkheid nog altijd in gevaar verkeerde. Want hij wist wat die blije menigte niet wist en wat in de boeken te lezen staat: de pestbacil sterft nooit en verdwijnt nooit definitief; hij kan tientallen jaren achtereen blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, hij wacht geduldig, in kamers, kelders, koffers, zakdoeken en paperassen, en misschien komt er een dag waarop, tot schade en lering van de mensheid, de pest zijn ratten wekt om ze te laten sterven in een gelukkige stad.”

Met dank aan Nanda Brouwer, Uitgeverij De Bezige Bij (cover) en Bart Notte (foto grensovergang België-Nederland)

Buitengewoon interessant om naar te kijken:

Nieuwe, beklijvende film van Georges-Marc Benamou, Les vies d’Albert Camus, coproductie Siècle Productions & France Télévisions, montage: Fabienne Alvarez-Giro, muziek: Greco Casadesus, verteld door Philippe Torreton:

  • 1

Kommentaar

  • Avatar
    Bernard Grant

    Sobere & poignante beschouwing door een antwerpse Monsieur Germain, wiens reflecties steeds intrigeren.

  • Reageer

    Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


     

    Top