Charlie Seminar: Satire als ideologische aanvalsstrategie

  • 0

 Plein la gueule
Het gevleugelde woord van tekenaar Wolinski indachtig: "Je ne veux pas mourir idiot"
Johan Anthierens, De Zwijger, 13 januari 1982

 

Wij lachten alleen om grollen over hen die vallen
en nooit met hun gat in de boter.
Ironie past alleen bij een baronie.
Hugo Claus, "Jan de Lichte IX"

Yves T'Sjoen

Satire is bij uitstek een genre of beter een stijlkenmerk van kunstdisciplines waarin op ontregelende wijze een kritisch maatschappijbeeld wordt geconstrueerd. Waar liggen de grenzen tussen satire, groteske en bijvoorbeeld karikatuur, parodie en comedy? Zijn dit onvergelijkbare categorieën? Het is meer dan ooit een actuele vraag die hier wordt opgeworpen.

Woensdag 7 januari. Een trieste bladzijde in de geschiedenis van de lach. Paris 7/1 staat voor de brutale aanslag die is gepleegd op de god noch gebod eerbiedigende schaterlach. De blinde fundamentalistisch-jihadistische terreur in de lokalen van het Franse weekblad Charlie Hebdo heeft in een mum van tijd uitdagende, creatieve en intellectuele denkers weggemaaid. Het redactieteam van hoofdredacteur Stéphane Charbonnier (1967-2015) is op beestachtige manier afgemaakt. In een interview met de Volkskrant, dag op dag twee jaar vóór de moorden in Parijs, plaatste redactiechef Charb het satirische weekblad “in de traditie van l’Assiette au beurre, een geïllustreerd tijdschrift uit het begin van de 20ste eeuw”. Hij benadrukt in dat vraaggesprek de beeldbepalende rol van “geweldige tekenaars”.

Wat ze [de tekenaars van L’Assiette au beurre, YT] maakten, was heftig. Ze namen vaak de katholieke kerk op de korrel, veel harder dan wij [Charlie Hebdo] nu het geloof aanpakken. Dat komt simpelweg doordat godsdienst minder onderdrukkend is nu. Maar tegen de invloed die er nog is, strijden we.

Charb richt zijn pijlen niet exclusief op de islam of de profeet Mohammed. In het licht van het verdict dat hem op 7/1 te beurt viel, is het bijna tragisch de volgende uitspraak te lezen:

[…] of de islam samengaat met democratie hangt af van de interpretatie. Ook de Bijbel en de Thora bevatten gewelddadige teksten. Christenen en joden hebben geleerd die niet letterlijk te nemen. Het grootste deel van de moslims neemt de Koran ook niet letterlijk, anders stond de wereld er nu heel anders voor.

De strijd die Charb en zijn uitgelezen team van non-conformisten voerden tegen religieuze, politieke, etnische en seksuele onderdrukking is allesbehalve verloren. Indien we de opiniestukken en de commentaren in de internationale pers van de dagen na de aanslag mogen geloven, zal dat ook morgen geenszins het geval zijn. Het is onze verdomde plicht de geest waarvan hun werk getuigt levend te houden. Journalisten en cartoonisten hebben hun eigengereidheid, de moed om geen knieval te maken en zich niet te conformeren, met hun aardse bestaan moeten bekopen. De geest van bladen zoals Charlie Hebdo en zijn voorganger Hara-Kiri (1960-1992) kan onmogelijk met een AK-47 van lafhartige criminelen worden geliquideerd.

Mourir, c’est fou rire un peu

Geschokt, van mijn sokken geblazen door de gruwelijke gebeurtenissen, overtuigd van de zuurstof die satire ons levert om de wereld van vandaag in de ogen te kunnen kijken, lees ik de afgelopen tijd weer teksten van Johan Anthierens (1937-2000). De Brusselse journalist richtte in 1982 het Vlaamse weekblad De Zwijger op dat een haperend en kort bestaan beschoren was. Naar aanleiding van een herinnering aan een goede Parijse vriend bedacht Anthierens voor zichzelf, in een "Grafschrift" voor de Volkskrant (29 december 1984), het epitaaf “Mourir c’est fou rire un peu”. En hij voegde toe: “Omdat zoveel mensen hier op aarde zoveel lijden dat ze het hiernamaals schaterlachend betreden”. Op die sardonische schaterlach nam De Zwijger een patent, en even later ook het nog kortstondiger project van Anthierens Gaandeweg (1986-1987). Opmerkelijk is dat de hoofdredacteur vooral zijn tekenaars roemde. In De Zwijger van 5 januari 1983 schrijft hij: “De eersten die De Zwijger uit het dal getild hebben, zijn de tekenaars geweest, Zak en Quirit op kop. De rest is gevolgd, schrijvend en tekenend”. Zij zijn de cartoonisten die vandaag treuren om hun “goden” met naast Charb de geroemde grafische kunstenaars Cabu (Jean Cabut), Tignous (Bernard Verlhac) en Georges Wolinski. Over de titel en de opzet van zijn memorabele weekblad noteerde Anthierens dat

het met dubbele bodems wil werken, geen kanon […] voor muggen, meer een adder voor het gras, eenieder moet maar zien waar hij zijn voeten zet. Het blad heet De Zwijger opdat spinnijdigen niet langer naar een leedvermakelijke woordspeling dienen te zoeken, in geval van mislukking. […] het kan niet kapot.

Elders noemt hij “het Frans satirische weekblad Le Canard Enchaîné” als het “grote voorbeeld” en niet Charlie Hebdo. In een beklijvende documentaire uit 2006 over de redactie van dat laatste weekblad, heruitgezonden op La Une (RTBF) op zondag 11 januari ter gelegenheid van de massaal bijgewoonde protestmars in Parijs, is Le Canard “in de brede zin” een “politieke krant” genoemd. Charlie krijgt het label “satirisch” periodiek toegekend. Zoals Simplicissimus (1896-1967), Uilenspiegel (1945-1950), Titanic (1979-heden). Te veel internationale bladen om hier op te lijsten. Ik noem alleen nog het meestal vergeten Vlaamse bijblad Koekoek (1931-1935) van de socialistische krant Vooruit.

Gedichten moet je lezen/onder een zachte schemerlamp.//Gedrichten/in een electrische stoel

Johan Anthierens brengt ons vanzelf bij Paul Snoek. Bekend is het interview van Anthierens voor De Periscoop (1959) waarin Snoek zich zelfbewust en vooral provocerend als de grootste dichter van Vlaanderen bestempelde. Snoeks Gedrichten. Gedokumenteerde aktualiteitspoëzie en/of alternatieve griezelgedichten (1972) en het bibliofiele Frankenstein (1973) met de “nagelaten gedrichten” bundelen teksten waarover Snoek beweerde: “Ze zijn een beetje sociaal gericht, ze zijn gedocumenteerd, ik heb ze ‘gedocumenteerde tijdspoëzie’ genoemd of ‘alternatieve griezelgedichten’”. In De Standaard van 29 oktober 1971 stelde de schrijver:

Het woord Gedricht is nieuw en indien het ooit in het Woordenboek der Nederlands[ch]e Taal terecht komt, waar ik sterk aan twijfel, zal het best omschreven worden als volgt: in het enkelvoud een cynisch, sadistisch gedicht dat de lezer figuurlijk en soms letterlijk kippevel bezorgt; in het meervoud de soortnaam van een nieuw genre in de poëzie, namelijk het totaal vernietigende genre, niet te verwarren met anti-poëzie, die zichzelf vernietigt. […] Voorlopig […] zou ik deze poëzie willen noemen: een soort brutale, wreedaardige, soms sadistische aftakelings- of vernietigingslyriek, waarin alle onderwerpen kunnen mishandeld worden.

Snoek wijst verder op het belang van “de ironie, scherp aan twee kanten, de schaterlach met puntige pijlen en de [H]ineininterpretierung tot aan de dikke darm” (geciteerd naar Herwig Leus in Paul Snoek).

Satirique, c’est quoi alors

Snoeks “gedrichten” kunnen als satirisch worden bestempeld. De vraag is in hoeverre satire een stijlkenmerk of een genreaanduiding is. Standaardwerken zoals Ruben Quintero’s omvangrijke Companion to Satire. Ancient and Modern (2007, paperback 2011) en recenter nog Satire in an Age of Realism (2010) van Aaron Matz bieden weliswaar vanuit historisch perspectief een panoramisch overzicht van de satire in de wereldliteratuur, van pakweg Jonathan Swift en George Eliot tot George Orwell, maar ze geven geen uitsluitsel. In Maarten van Buurens De boekenpoeper. Het groteske in de literatuur (1982) wordt diezelfde vraag over de/het groteske opgeworpen: stijl of genre? De auteur refereert in zijn historische overzicht van theoretische naslagwerken over grotesken aan onder meer Heinrich Schneegans’ Geschichte der Grotesken Satire (1894).

Het groteske ontstaat volgens [Schneegans] door overdrijving van bepaalde fysieke eigenaardigheden, die echter zover wordt doorgedreven dat de vertekening fantastische, monsterachtige proporties aanneemt. […] De overdreven karikatuur leidt bij de toeschouwer tot een lachreactie, waarin zich zowel lust- als onlustgevoelens ontladen.

In de letterkundige neerlandistiek is er Annie van den Oevers dissertatie <Fritzi> en het groteske (2003) waarin de Nederlandse auteur F. Harmsen van Beek in de “groteske traditie” van Carroll, Kafka, Gogol, Gombrowicz en Michaux wordt geplaatst. Interessant is ook Klaus Beekmans essay Homeopathy of the Absurd. The Grotesque in Paul van Ostaijen’s Creative Prose (1979) waarin Robert Snoecks (1970) aanduiding van Van Ostaijens De bende van de stronk als satire wordt geproblematiseerd. Waar loopt de scheidslijn tussen satire en groteske?

Lust of onlust. Van Buuren gebruikt “een lachreactie” als criterium. De lezer of de toeschouwer krijgt in de ervaring van wat satire wordt genoemd hoe dan ook een vergelijkbare rol toebedeeld. Paul Claes formuleert het in Echo’s echo’s (2011) als volgt: “Zoals voor andere intertekstuele verschijnselen geldt voor parodie en pastiche dat ze bestaan bij de gratie van de lezer die ze opmerkt” (mijn cursivering). Tijdens mijn speurtocht naar een meer bevredigende begripsomschrijving van satire streep ik ook de volgende passage aan in Herman Uyttersprots bekende studie Over Paul van Ostaijen (1972), waarin de grotesken van Vogelvrij (1927) samen met Kafka’s teksten worden bestudeerd vanuit een vergelijkend perspectief.

Algemeen wordt aangenomen dat satire en groteske groeien uit de verbondenheid van een auteur met zijn tijd; dat ze ontstaan uit de zucht om de eigentijdse maatschappij, haar instellingen en toestanden te hekelen en meteen hen, die daar verantwoordelijk voor zijn, de mensen dus met hun tekortkomingen en gebreken. De zucht dus, iets eeuwigs en algemeens, het menselijk “te kort”, te projecteren in een welbepaalde, beperkte tijdspanne, a.h.w. om de stootrichting te verstrakken en aan de aanval meer directheid te verlenen. (Haat en misprijzen hebben immers veel meer dan de polair tegengestelde, milde gevoelens een welomlijnd aanvalsobject nodig…).

De geleerde Herman Uyttersprot stelt dat precies in de bepaling van “het aanvalsobject” het groteske karakter van Franz Kafka’s en Paul van Ostaijens teksten ver uit elkaar liggen. Over Van Ostaijen merkt hij op dat

hij die, al heeft men graag het omgekeerde beweerd, volstrekt niet onverschillig was geworden voor de toén actuele problemen, wiens temperament trots verbittering en scepticisme, zeker niet lauwer of slapper was geworden [dan in de periode voor en tijdens de Grote Oorlog, YT], geen kans heeft laten ontsnappen om mensen, machten, toestanden scherp en wreed zelfs te gispen.

Hier volgt dan “een lange en gevarieerde reeks aanvalsobjecten”.

Ten slotte verwijs ik naar een al even diffuse begripsomschrijving van satire in het Algemeen Letterkundig Lexicon (DBNL).

Aanduiding voor een type literatuur dat gewoonlijk naar zijn vorm, inhoud of intentie wordt gedefinieerd als een teksttype waarin de auteur door humor, komische werking of door overdrijving van bepaalde karakteristieke trekken (vgl. parodie, karikatuur en pastiche) een bepaalde zaak, toestand of menselijke fouten en tekortkomingen belachelijk maakt. Een belangrijke formele eigenschap van satire is ironie, meestal van een militante soort. Satire doet een sterk beroep op de lezer of toeschouwer om het groteske, parodistische of ironische te onderkennen, vooral omdat de auteur kan werken met subtiele dubbelzinnigheden of bekend veronderstelde omstandigheden of teksten met een soort ‘sous entendu’. Satire verschilt van het komische doordat die laatste uitsluitend de lachlust nastreeft, terwijl satire tevens een moralistische, een op verbetering van de menselijke zwakheden of fouten of een op verandering van normen gerichte doelstelling heeft. Scherp zijn deze grenzen echter niet te trekken, temeer daar de term een ontwikkeling blijkt te hebben doorgemaakt die hem ruimer doet zijn dan die van genreaanduiding alleen.

Groteske, parodie en (militante) ironie worden in deze definitie voorgesteld als stijlfiguren, of dus “formele eigenschappen” die de literatuur en de kunst bepalen die wij satire noemen. Niet alleen de (schater)lach is van belang maar ook de moraliserende aard van dit soort “littérature engagée”.

Het kan verhelderend zijn satire vanuit een transdisciplinair perspectief te beschouwen. Het spreekt voor zich dat in de beeldende kunst, in comics en andere media of discoursen zoals de muziek satire een veelvoorkomend fenomeen is. Hoewel termen zoals parodie in musicologisch opzicht een andere connotatie hebben, in dit geval de letterkundige connotatie van intertekst, en we dus voorzichtig moeten omspringen met (de uitwisselbaarheid van) begrippenarsenalen van verschillende media is satire een stijlkenmerk dat in muzikale composities een rol speelt. Het is vanzelfsprekend dat ook componisten commentaar op maatschappelijke gebeurtenissen of elkaars werk ter discussie stellen door het te bespotten. Enkele voorbeelden. Erik Saties bekende ‘musique d’ameublement’ Gnossiennes en Gymnopédies is tot stand gekomen als een reactie op de unendliche melodieën van Richard Wagner door de schier eindeloze herneming van een melodie. Bekend zijn de moraliserende opera’s van Kurt Weill die de kapitalistische maatschappij op de korrel nemen. Vaak is de karakteristiek die wordt toegekend een kwestie van perceptie. Sergej Diaghilev van Les Ballets Russes beschouwde Pulcinella van Stravinsky als een satire “waarschijnlijk in het idee dat Stravinsky de draak wou steken met de 18e-eeuwse muziek. Uiteindelijk bleek dat niet zo te zijn aangezien Stravinsky in zijn eigen woorden ‘verliefd’ werd op deze muziek en enkel zijn eigen muzikale stijlkenmerken wou toevoegen aan de muziek”. Hoe dan ook is satire een interdisciplinair stijlkenmerk dat idealiter vanuit een brede invalshoek wordt bestudeerd.1

Met de omschrijving van groteske, parodie en ironie als formele kenmerken van de satire in gedachten kunnen Snoeks “gedrichten”, in het verlengde van zeer uiteenlopende bladen zoals L’Assiette au beurre, Hara-Kiri, Charlie Hebdo, Le Canard Enchaîné en De Zwijger, als satirisch worden geduid. De afsluitende cyclus van Gedrichten, ‘Bijbelfragmenten’, omvat een tekst die vandaag bijzonder actueel is. Tegen de achtergrond van de terreurdaden en de overmoedige poging van losgeslagen gekken de schaterlach en de satire te vermoorden, lees ik Snoeks ‘De profeet ontmaskerd’.

De profeet ontmaskerd

Ik heb het monster van Loch Ness gezien.
Het lag daar met zijn groot metalen hoofd boven water
en uit een paar patrijspoorten aan weerszijden
scheen zacht rose zolderkamerlicht.

Ik kon mijn ogen niet geloven
toen eensklaps boven op de muil
een mangat openklapte, waaruit een gedaante verscheen
die een pan etensresten in het water gooide
en een deuntje floot uit Hair.

Op zijn hoofd groeide nat glimmend zeewier
in een blijvende tooi.
Hij leek ontzettend veel op kikvorsman Crabb,
te meer daar zijn donker pak druipnat was en lekte.

Maar later in de felle lichtstraal
die uit het ruim als een zoeklicht omhoog spoot
zag ik aan de trekken op zijn gangsterface
dat deze zware jongen uit de onderwereld kwam
en Crabb niet was, maar Jonas.
Die van de potvis.

Snoek verwijst in zijn tekst naar het bekende spionageverhaal waarin de “kikvorsman [Lionel (bijgenaamd Buster)] Crabb” een tragische hoofdrol kreeg. Volgens Christopher Creighton en Noel Hynd in De Crabb Affaire (Nederlandse vertaling, 1987) voerde Crabb in 1956 een opdracht van de Britse MI6 uit. De aanleiding was het officiële bezoek dat de communistische partijleider Chroesjtsjov en de Russische premier Bagoenin aan Groot-Brittannië brachten. De Sovjet-Russische pantserkruiser legde aan in Portsmouth. Crabb, ingeschakeld als spion die technische informatie over de onderzeeër moest verzamelen, verdween bij die onderneming spoorloos. Veertien maanden na zijn verdwijnen, zo vermeldt de Engelse Wikipedia-pagina, is een onthoofd en van ledematen losgeweekt lichaam opgedoken in Chichester Harbour. Het is tot vandaag onduidelijk of het om Crabb gaat (“presumed dead”, zo vermeldt het lemma). In Snoeks ‘gedricht’ duikt uit het monster van Loch Ness “een gedaante” op die weliswaar “ontzettend veel op kikvorsman Crabb” lijkt (historische referent) maar “Jonas. Die van de potvis” is (Bijbelse referent). De verwarring van het ik stoelt op het “donker pak [dat] druipnat was en lekte”. In het felle licht, rekening houdend met “de trekken op zijn gangsterface”, blijkt het evenwel om een “zware jongen uit de onderwereld” te gaan die wordt vereenzelvigd met Jonas. We kennen het verhaal over Jona(s) en de walvis uit het Oude Testament maar ook uit de Koran. De ‘soerat as-saaffaat’ (in vertaling ‘de zich opstellenden’) verhaalt over de profeet Joesoen (Yusun) die van God de opdracht meekreeg het ongelovige Assyrische volk van Ninive, thans de door Islamitische Staat ingepalmde Iraakse stad Mosoel, op het rechte pad te brengen. Overmand door ongeduld keerde de profeet het volk de rug toe en belandde in de buik van een (wal)vis. Dit zijn de regels 139-144 in de Koran:

Ook Joenoes behoorde tot de gezondenen. Toen hij naar het volbeladen schip wegliep en het lot wierp; maar hij was een van de verliezers. Toen slokte de vis hem op, laakbaar als hij was. En als hij niet tot hen die lofprijzen behoord had, dan was hij in zijn buik gebleven tot de dag waarop men wordt gewekt.

Joenoes toont in de buik van de vis berouw, wordt uitgespuwd en gaat verder met zijn bekeringsopdracht die uiteindelijk succesvol is. Op satirische wijze drijft Snoek de spot. Of zoals Herman Uyttersprot het formuleert: het aanvalsobject is hier een gangster, “een zware jongen uit de onderwereld”: “Jonas./Die van de potvis”. Herwig Leus heeft opgemerkt dat de afdeling ‘Bijbelfragmenten’ “ontmythologiseert […] zonder daarbij echt blasfemisch te worden”. Ik onderschrijf Leus’ standpunt. Onder meer dit gedicht behoort tot het “hoogtepunt […] in het werk van Snoek en [heeft] een niet geringe invloed uitgeoefend op de Nederlandse poëzie”. In dezelfde rij passen schrijvers zoals onder anderen Gaston Burssens, Hugo Claus, Gust Gils, Tom Lanoye en Marcel Wauters. Claus en Lanoye publiceerden overigens in De Zwijger. Een fragment uit Claus’ Het verdriet van België (1983) is er in voorgepubliceerd en ook de aanstormende “neo-cynici” Brusselmans en Lanoye scherpten hun pen voor dit roemruchte blad.

Superieur-sarcastisch geselen en bekampen

Volgens Uyttersprot leidden drie moeilijk te scheiden drijfveren Paul van Ostaijen naar het schrijven van satire en grotesken. De derde drijfveer die hij opsomt, is de volgende.

[…] zijn agressiviteit, de als voorheen aanwezige, uit zijn persoonlijkheid moeilijk weg te denken behoefte, lucht te geven aan wrevel, rancune, verontwaardiging; de wens, ook polemisch-kritisch actief te blijven, door een verachte maatschappij, een gehate staat, instellingen, personen, verschijnselen uit de toenmalige samenleving snijdend, superieur-sarcastisch te geselen en dus te bekampen. Bijgevolg op deze wijze toch mede deel te nemen aan het leven van tijd, volk en staat, zich niet aan deze opdracht des schrijvers te onttrekken […].

Die “opdracht des schrijvers” en tekenaars is cruciaal. Charb en alle anderen mogen dan niet meer onder ons zijn, de geest waarvoor zij staan kan niet worden kapot gemaakt. Anthierens schrijft er over in ‘De smaak van het schrijven’ (Knack Magazine, 14 oktober 1981). Hij sprak in zijn ‘wekelijkse woensdagbrief van Johan Anthierens’ voor Gaandeweg, naar aanleiding van een Matisse-tentoonstelling, over Robert Combas die behoorde “tot de Kamagurka- en Cabu-school”. Wat mij betreft bedacht Anthierens in het opstel ‘Met pingelvingers’ (9 april 1986) de fraaiste formulering ter aanduiding van – variërend op een bundeltitel van Gust Gils – deze zangers zónder zuurstofmasker: “esthetische woelwaters met diepgevoelige ondergronden”.

Een doek van Combas heet Échange de chaussettes, échange de coups de feu. Plein la gueule, plein la tête. Nauwelijks te vertalen […]. Ik zou het zelf ook niet weten, plein la gueule betekent zoiets als met verstomming, verbijstering, met jubel geslagen worden. Iets met open mond (van verbijstering, verstomming, vul maar in) ondergaan.

Ongeacht stijl of genre is satire in ieder geval een maatschappelijke kunstvorm. Satirische teksten en prenten, wel eens verbonden met ‘littérature engagée’, zijn niet voor ieders begripsvermogen. Zelfrelativering, ook zelfspot, en verbeelding zijn alvast basisvoorwaarden. Zieke geesten en fanatieke geweldenaars denken in hun onmacht satire te kunnen vermoorden. De moordenaars behalen keer op keer een Pyrrusoverwinning. De cartoonisten van Charlie Hebdo zijn geveld door een lafhartige kogelregen. Hun gedachtegoed blijft evenwel intact. Dat zijn we aan hen verplicht.

Bronnen

Johan Anthierens, Niemands meester, niemands knecht. Leve mij. Autobiografische teksten. Brigitte Raskin (ed.) i.s.m. Karel Anthierens. Van Halewyck, Leuven, 2003.
Paul Claes, Echo’s echo’s. De kunst van de allusie. Vantilt, Nijmegen, 2011.
Herwig Leus, ‘Inleiding’. In: Paul Snoek. Een keuze uit de poëzie van Paul Snoek samengesteld en ingeleid door Herwig Leus. Dichters van nu 2. Poëziecentrum, Gent, 1991, p.5-64.
Paul Snoek, ‘De profeet ontmaskerd’. In: Idem, Gedichten. Yves T’Sjoen en Christophe van der Vorst (ed.). Lannoo/Atlas, Tielt/Amsterdam, 2006, p.448.
Herman Uyttersprot, ‘Paul van Ostaijen en zijn proza’. In: Idem, Over Paul van Ostaijen. Willemsfonds, Gent, 1972, p.81-127.
Maarten van Buuren, De boekenpoeper. Het groteske in de literatuur. Van Gorcum, Assen, 1982.
Annie van den Oever, <Fritzi> en het groteske. De Bezige Bij, Amsterdam, 2003.
Algemeen Letterkundig Lexicon, Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03005.php
Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands door Fred Leemhuis. Het Wereldvenster, Houten, 1989 [1990, vijfde, herziene druk].

1 Met dank aan musicologe Kristien Heirman. E-mail van Kristien Heirman aan Yves T’Sjoen, dd. 12 februari 2015.
  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top