Uys Krige en literaire contacten in Vlaanderen

  • 2

Tone Brulin (Foto: YouTube.com)

In de nalatenschap van Tone Brulin (1926–2019) bevinden zich krantenartikelen die literaire contacten documenteren in Zuid-Afrika. De Vlaamse dramaturg en schrijver publiceerde in januari 1960 het feuilleton “Belevenissen tussen Noordkaap en Kaapstad” in De Nieuwe Gazet. Bijzonder is het verhaal over zijn ontmoeting met Arthur Fula, auteur van Johannie giet die beeld (DNG, 22-01-1960). Enkele dagen later, op 27 januari, schreef Brulin over “Jan Rabie en Uys Krige op Clifton Beach”. Hij herinnert zich niet alleen de vriendschappelijke relatie met Jan en Marjorie Wallace. Ook Uys Krige (1910–1987) behoorde tot de kennissenkring. Hij memoreert het politiek engagement van Rabie en Krige en de moeilijkheden die beiden ondervonden ten tijde van de apartheid. Ook de desinteresse van de gezaghebbende literatuurkritiek voor beider werk in Zuid-Afrika komt aan bod.

Naar eigen zeggen, zo luidt een anekdote in het artikel, heeft Brulin een nacht in de cel doorgebracht op beschuldiging van vriendschappelijke banden met zogenaamde “kleurlingen”. Athol Fugard en Jan Rabie hebben klaarblijkelijk alles in het werk gesteld om Brulin weer op vrije voeten te krijgen. De bijdrage roept herinneringen op aan “de Parijse periode, toen we allen samenhokten in de Rue de la Tombe-Issoire: een aantal Belgen, Hollanders en Afrikanen”. Brulin schrijft over het verblijf in het 14e arrondissement: “En Uys Krige, die onverwachts kwam binnenvallen om thee te drinken en te praten. Meestal over zichzelf.” Brulin, voormalig regisseur van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (Brussel), verbleef vanaf september 1958 een jaar lang in Zuid-Afrika. In opdracht van de Nasionale Toneelorganisasie richtte hij in Pretoria het Kamertoneel op en regisseerde er in totaal zeven toneelstukken. ’n Bruid in die môre van Hugo Claus (vertaling door Jan Rabie) is er een van. Tijdens die periode reisde hij rond. Hij herinnert zich de tijd in Kaapstad:

Uys had hier een huisje bij Clifton Beach, samen met de schrijver Jack Cope. En rond Kerstmis en Nieuwjaar lagen we in de buurt van het huis op het strand zwart te branden. Uys, trots op zijn jonge spieren zijn grijze haren ten spijt, balt de vuist en schreeuwt het onrecht uit: “Waarom worden mijn toneelstukken niet gespeeld?” Het is een luilekkerleven tussen de herhalingen van “Voorlopig vonnis” in.

Jozef van Hoecks populaire toneeltekst is voor het eerst opgevoerd op 26 januari 1957 in Antwerpen (Nationaal Toneel van België), de tekst is uitgegeven in 1959. Brulin regisseerde voor het Kamertoneel in Pretoria het in het Afrikaans vertaalde theaterstuk van Van Hoeck en toerde een tijdlang met de productie.

Uys Krige (Foto: LitNet)

Over Uys Krige en de Lage Landen, meer bepaald over de samenwerking met de Nederlandse uitgever A.A.M. Stols, publicaties in de jaren dertig in het poëzietijdschrift Helikon en wetenswaardigheden omtrent de bloemlezing Afrikaanse versameling (samenstelling Uys Krige, inleiding Dirk Coster, 1937) publiceerde J.C. Kannemeyer een uitvoerige bijdrage in Zacht Lawijd.1 Hoewel de biograaf van Krige spreekt over “contacten met Nederland en Vlaanderen”, nadat Kriges poëzie in Zuid-Afrika eerst is afgewezen, komen relaties met Vlaanderen niet aan bod. Ook in het lemma van Erika Terblanche over Uys Krige wordt alleen gerefereerd aan de Helikon-bijdragen en “kort besoeke aan Nederland en België […] in Augustus 1953”.2 Nochtans is wel iets te zeggen over Kriges verblijf in Vlaanderen.

Lang voor Brulins theaterwerkzaamheden in Zuid-Afrika, op het moment dat hij meewerkte aan Tijd en Mens. Tijdschrift van de nieuwe generatie (1949-1955), schreef hij in 1953 voor Het Laatste Nieuws een portret van Uys Krige. Aanleiding was het verblijf van de Zuid-Afrikaanse auteur met een reisbeurs in België. Over deze episode lezen we in het profiel over Uys Krige (door Erika Terblanche) het volgende:

Uys en Jack Cope het intussen, in September 1958, in een van die houthuisies in Clifton gaan woon. Die huis wat hulle saam gekoop het, was Sea Girt, waar NP van Wyk Louw en Truida ook gebly het. Daar het hy gereeld op die strand gaan lê en skryf en het hy met Afrikaanse en Engelse skrywers kontak gehad. Hy het vir Adam Small ontmoet en met Ingrid Jonker was hy goed bevriend.

In 1957 is die Leadership Exchange-beurs van die Carnegie-organisasie aan Uys toegeken, maar hy het steeds uitgestel om dit te gebruik. Die Carnegie-instansie het hom gewaarsku dat die toekenning sou verval indien hy dit nie gebruik nie en in Februarie 1959 het hy uit Kaapstad vertrek. Hy was van plan om sewe maande in Amerika deur te bring en daarna weer na Brittanje te vertrek, en dan sou hy en sy dogter Eulalia die res van 1959 saam deur Europa reis. Die teater-aanbiedinge op Broadway in New York het Uys nie eintlik beïndruk nie en ook nie die New Yorkse toneelkritici nie. In Amerika het hy ’n afstand van 25 000 myl afgelê en lesings by heelwat universiteite gelewer.

Brulin noteert over deze buitenlandse reis het volgende: “Door middel van enkele reisbeurzen verblijft Krige opnieuw in Europa. Deze reisbeurzen werden hem toegekend door de private stichting voor kunstenaars ‘Moltino’ in Zuid-Afrika en van de Franse regering. Krige was immers voorzitter van de Zuidafrikaans-Franse Vereniging te Johannesburg.” De Vlaamse theatermaker brengt naar aanleiding van de opvoering van Die ryk weduwee (1953), “’n blyspel wat hier en daar die karakter van ’n klug verkry”3 het toneelwerk ter sprake: “[z]ijn toneelspel ‘De Dood van de Zoeloe’ verscheen het eerst te New York en is zowat in alle mogelijke tijdschriften verschenen. Zijn blijspel ‘Die Ryk Weduwee’ wordt gedurende 11 maanden in Zuid-Afrika opgevoerd door het Nationaal Toneel. Dit feit is enig in de geschiedenis van het Zuidafrikaans toneel.” “Death of a Zulu” is als kortverhaal opgenomen in de Engelse bundel The dream and the desert (1953). Ook het vertaalwerk krijgt aandacht (Eluard, Prévert, Lorca), naast de persoonlijke anekdotiek: Kriges deelname aan de Spaanse burgeroorlog, de militaire dienst in Kenia, Abessinië (Ethiopië) en Somalië, het krijgsgevangenenkamp van Sulmona (Italië) en zijn vlucht. Voor het Vlaams lezerspubliek wordt Krige neergezet als “onafhankelijke dichter” en “opstandige kunstenaar”. Brulin concludeert: “Uit ieder werk van Krige spreekt de deernis voor de mens. Zelfs zijn komisch getint werk – zoals bijvoorbeeld ‘Die Grootkanonne’ – bewijst een groot-menselijke visie.” “Die groot kanonne” is een eenakter opgenomen in Alle paaie gaan na Rome (1949).

Het verblijf in 1953 was niet de eerste keer dat Uys Krige in België verbleef. In 1935 was Krige al in Antwerpen, waar hij volgens Brulin de eerste exemplaren van zijn poëziedebuut Kentering in ontvangst nam. Vóór de Tweede Wereldoorlog werkte hij overigens met gedichten mee aan het Nederlandse periodiek De Gids (1937–1939, zie Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren), later het Nieuw Vlaams Tijdschrift en De Nieuwe Stem. Krige vertelt over zijn vooroorlogs verblijf in Vlaanderen in het vraaggesprek met Willem M. Roggeman (Het Laatste Nieuws, 1968). In 1968 toerde hij met een Amerikaanse Leadership Grant gedurende acht maanden in de Verenigde Staten. Op de terugweg naar Zuid-Afrika verbleef hij in West-Europa (Frankrijk, Italië, Zwitserland en België). Roggeman portretteerde Kriges literair oeuvre (poëzie, verhalen en romans, toneelwerk en vertalingen) en vroeg de auteur naar de nieuwe literatuurproductie (Muur van die dood (1968), de bloemlezing uit het werk van Olive Schreiner, en Spaans-Amerikaanse keuse (1969) met vijftig vertaalde gedichten en een voorwoord. Ten slotte verwijst Roggeman naar de anthologie Penguin Book of South African Verse, door Krige en Jack Cope samengesteld. In het interview wenst Krige niet uit te weiden over politiek en de strijd tegen de censuur. Hij becommentarieert wel de eigentijdse literatuur in Zuid-Afrika. Hij heeft het over het “hoog peil” van de Zuid-Afrikaanse poëzie (Afrikaans en Engels) en de “moderne poëzie [die] grote invloed [heeft] ondergaan van het Franse surrealisme”. Verder komen Ingrid Jonker, het tijdschrift Wurm, Etienne Leroux, D.P.M. Botes, Adam Small, Breyten Breytenbach, André Brink, Chris Barnard, Abraham de Vries en Coenie Rudolph ter sprake. Opmerkelijk in het interview is Uys Kriges verwijzing naar Tone Brulin en diens bijzondere aandeel in de toneelvernieuwing van Zuid-Afrika.

Het toneelleven kent een merkwaardige bloei. Overal in Zuid-Afrika worden schouwburgen gebouwd. Ook hebben wij sterke dansers, die naar Londen en Wenen zijn uitgeweken. Die trachten wij nu terug te lokken. Aan het toneel wordt nu een grote staatssteun verleend. Wij zijn ook veel dank verschuldigd aan de Vlaming Tone Brulin, niet alleen voor wat hij in ons land deed, maar ook voor het brengen van ons toneel in Vlaanderen. Zijn toneelstuk “Schildknaap voor een vechtjas”, dat handelt over Zuid-Afrika, is verfijnd en ontroerend.

De paden van Tone Brulin en Uys Krige hebben elkaar meermaals gekruist. Zo regisseerde Brulin Die sluipskutter (1951) van Uys Krige voor de Vlaamse televisie (uitzending op 17 of 18 mei 1962). Uit zowel de uitspraken van Krige (in het interview door Willem M. Roggeman) als de regiebewerkingen door Tone Brulin blijkt wederzijdse waardering. In hoeverre ook brieven zijn overgeleverd tussen beide actoren is mij vooralsnog niet bekend. Brulin besluit zijn portret van Krige (17 juni 1953) met een biografische noot: “Het afwisselend en rumoerige leven, dat [Krige] daarna overweldigd heeft [na zijn studieperiode in Stellenbosch], is echter zijn ware universiteit geweest. En nu pas, zo veel jaar later, tracht hij een evenwicht te vinden in zijn eigen tegenstellingen, waarin motieven van oorlog en tegenstellingen van zwart-wit naar de bovenhand dingen.”

“[E]en van [die] flambojantste en veelsydigste figure [in die Suid-Afrikaanse letterkunde]”, in de woorden van J.C. Kannemeyer, heeft tijdens zijn Europese omzwervingen herhaaldelijk Vlaanderen bezocht en goede contacten opgebouwd. De band met Tone Brulin is een van de meest opmerkelijke die ik met deze bijdrage, in het jaar dat Uys Krige honderdtien jaar geleden werd geboren, onder de aandacht breng.

Over de toneelvernieuwing die Tone Brulin in 1958–1959 bracht in Zuid-Afrika en zijn toneelwerk met betrekking tot Zuid-Afrika (N.P. van Wyk Louw en Wilma Stockenström) publiceer ik later een bijdrage in het Nederlands-Vlaamse Zacht Lawijd. Literair-historisch tijdschrift. Met dank aan Joris van den Eynde voor het bronnenmateriaal en aan Daniel Hugo voor de kritische lectuur.

1 J.C. Kannemeyer, “Uys Krige, A.A.M. Stols en de bloemlezing afrikaanse versameling [1937]”, in: Zacht Lawijd. Literair-historisch tijdschrift (6 (2006–2007) 1, p.  4-23 (https://www.dbnl.org/tekst/_zl_001200601_01/_zl_001200601_01_0001.php).

2 Erika Terblanche, “Uys Krige”, LitNet: https://www.litnet.co.za/uys-krige-1910-1987/

3 Nienaber-Luitingh, “Uys Krige (1910–1987)”, in Perspektief & Profiel. ’n Afrikaanse literatuurgeskiedenis, H.P. van Coller (red.), Van Schaik Uitgewers, deel 2, 2016 [tweede uitgawe], p. 572.

  • 2

Kommentaar

  • Baie dankie, Yves, vir hierdie noodsaaklike aanvulling by die Afrikaanse literatuurgeskiedenis. Tone Brulin verskyn byvoorbeeld glad nie in J.C. Kannemeyer se biografie oor Uys Krige nie.

  • Avatar
    Nico M Ferreira

    Dit is welbekend dat Uys Krige ’n openlike teenstander van die destydse apartheid-beleid was. Wat hom nog meer ongewild by die regering gemaak het, was sy vertaling van die 1955 Freedom Charter in Afrikaans. Hierdie vertaling word glad nie vermeld in Kannemeyer se bibliografie oor Krige nie, ook nie in Erika Terblanche se dokument (LitNet 2017/06/22) nie.
    Ek besit ’n geraamde, ongetekende kopie van die Freedom Charter en soek reeds lank na die bewoording van die vertaling. Wie weet, moontlik is daar ’n kenner van die Afrikaanse literatuurgeskiedenis wat bewus is van waar die oorspronklike vertaling is?

  • Reageer

    Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


     

    Top