Taal- en culturele diversiteit in het universitair onderwijs

  • 0

Inleiding: strijd voor Nederlands en voor Afrikaans

Na de Belgische revolutie en de onafhankelijkheid van België in 1830 is het academisch onderwijs aan de Universiteit Gent (toentertijd de Gentsche Hoogeschool) volledig verfranst. In 1817, tijdens de Hollandse tijd en onder het gezag van koning Willem I van Oranje-Nassau, is in de Zuidelijke Nederlanden geïnvesteerd in academische instellingen. In Franstalig België viel de keuze op Luik en in Vlaanderen kwamen de steden Antwerpen, Brugge, Brussel en Gent in aanmerking. Uiteindelijk kon Gent een rijksuniversiteit organiseren. De vorst decreteerde in de zuidelijke gewesten van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden de stichting van universitaire instituten waar op hoogstaand wetenschappelijk niveau in het Nederlands college kon worden gevolgd. Dit kalenderjaar viert de Gentse universiteit haar tweehonderdste verjaardag. Na de bestuurlijke scheiding tussen Noord en Zuid in 1830 en de verfransingspolitiek van de Belgische overheid is het Frans als wetenschappelijke lingua franca in eer hersteld. In de tweede helft van de negentiende eeuw heeft de Vlaamse Beweging, die decennialang ijverde voor de ontvoogding van het Vlaamse volk, een strijdpunt gemaakt van de vernederlandsing van de Gentse Hogeschool (de universiteit). Het duurt echter nog tot 1930 vooraleer de politieke overheid instemt met de taaleis. August Vermeylen is dat jaar aangesteld als de eerste rector van de vernederlandste Gentse universiteit.

Er zijn in de politieke geschiedenis van Vlaanderen en de emancipatorische (taal)strijd die er is gevoerd opmerkelijke parallellen met de Afrikaanse taalbewegingen in Zuid-Afrika. Zowel het Genootskap vir Regte Afrikaners in het laatste kwart van de negentiende eeuw als de tweede taalbeweging na de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) leverden strijd voor onderwijs in de moedertaal van Afrikaanssprekenden. Cultureel-institutionele activiteiten, zoals de uitgave van kinder- en jeugdliteratuur, de productie van volksalmanakken en verspreiding van geschiedenisboeken in het Afrikaans, hebben bijgedragen tot een groeiend taalbewustzijn. In de twintigste eeuw is de Afrikaanse Bijbelvertaling (1933), naar analogie met de Statenbijbel in de zeventiende eeuw voor het Nederlands, een belangrijk moment voor de standaardisering van het Afrikaans. Aan Zuid-Afrikaanse universitaire instellingen wordt vandaag al langer een nieuwe taalstrijd gevoerd. Het Afrikaans staat als wetenschapstaal onder toenemende druk en er zijn universiteitsbesturen die hoogstens nog een gedoogbeleid voeren met betrekking tot het Afrikaans als academische onderwijstaal. Zuid-Afrikaanse universiteitsbestuurders staan toe dat Afrikaans geleidelijk aan wordt uitgerangeerd als taal van tertiair onderwijs ten voordele van het Engels. Zelfs met de kennis dat méér dan zeven miljoen Zuid-Afrikanen Afrikaans of een variëteit van het Standaardafrikaans als moedertaal gebruiken en nog enkele miljoenen Afrikaans als hun tweede taal beschouwen wordt de verengelsing vastberaden en zelfs rücksichtslos doorgedrukt. Nog afgezien van de geringschatting van het Afrikaans als volwaardige taal van cultuur en wetenschap ontneemt de academische overheid miljoenen overwegend bruin- en swartmense de kans om hoogstaand universitair onderwijs in de eigen moedertaal te volgen.

De parallel met de positie van het Nederlands aan universiteiten in Nederland en België is niet eens zo opmerkelijk. Aan universiteiten in de Lage Landen wordt met twee snelheden het Nederlands gereduceerd tot een gedoogtaal. In het hoger onderwijs in Nederland worden almaar meer master- en ook een toenemend aantal bacheloropleidingen in het Engels aangeboden. In vele gevallen in een koetertaal die als academisch Engels geldt. Het gaat zelfs zo ver dat aan bepaalde Nederlandse universiteiten, indien de opleiding neerlandistiek überhaupt nog in stand wordt gehouden en niet is gereduceerd tot een amalgaam dat Cultural Studies heet, colleges over Nederlands(talig)e literatuur voor overwegend Nederlandse studenten in het Engels worden aangeboden. Zo een vaart loopt het (nog) niet aan Vlaamse universiteiten, hoewel er opleidingen en faculteiten zijn waar bijna uitsluitend in het Engels wordt gedoceerd. Er bestaat in het federale België een taalwetgeving en er zijn taalquota die de jongste tijd ter discussie worden gesteld. Voorlopig ziet het er niet naar uit dat master- en bacheloropleidingen aan Vlaamse universiteiten in toenemende mate worden verengelst. Al maken bestuurders zich weleens sterk dat er nog “marge” bestaat binnen de bestaande wetgeving en we ons maximum van Engelstalige opleidingen nog niet hebben bereikt. Het is kortom tijd dat ook in de Lage Landen de strijd voor het Nederlands als volwaardige wetenschapstaal wordt aangescherpt.

De afgelopen tijd publiceerde ik naar aanleiding van persberichten, die nauwelijks als taaldebat kunnen gelden, opiniestukken over de problematiek van het Nederlands in academia. Gezien de veronderstelde parallellie is het wellicht zinvol dat ik op uitnodiging van LitNet de bijdragen ter beschikking stel van een Afrikaanstalig lezerspubliek in Zuid-Afrika. In onderstaande teksten wijs ik op de historiek van het Nederlands aan mijn alma mater (Universiteit Gent), met name de verbeten (taal)strijd die vele voorgangers soms tegen heug en meug hebben moeten voeren en bijwijlen moesten bekopen met hun professionele academische toekomst. Ik heb het daarnaast over het “globish”, de verbastering van het Engels dat dezer dagen in onze auditoria hoogtij viert. Tot slot betreur ik de keuze voor het “globish” aan universiteiten in het Nederlandse taalgebied waar het merendeel van de studentenpopulatie Nederlandssprekend is. Wat sommigen “internationalisering” of “globalisering” noemen, komt in vele gevallen neer op taalverarming, ja zelfs een dedain ten aanzien van de eigen cultuurtaal, en het inperken van culturele diversiteit. Niet alle academisch onderwijs moet worden versmald tot een soort Engels. Een sprekend voorbeeld is het Erasmusprogramma voor studenten in de Europese Unie. Jongeren die een semester lang in Italië, Frankrijk of Duitsland studeren, doen dat om evidente redenen in het Italiaans, Frans respectievelijk Duits. Het is ondenkbaar dat studenten uit Gent of Amsterdam in Bologna, aan de Sorbonne in Parijs en in Heidelberg met anderstalige studiegenoten in het “globish” converseren. Laten we die voor eenieder verrijkende taal- en culturele diversiteit behouden – het interuniversitaire Erasmusprogramma is een mooi voorbeeld van culturele en intellectuele uitwisseling in een veelheid van talen. Taal, zo stel ik hieronder, is ook veel méér dan een communicatiemiddel, een medium voor uitwisseling van ideeën en bevindingen. Taal wordt in dat zogeheten taaldebat verengd tot een medium. Natuurlijk moeten universiteiten deelnemen aan het internationale discours binnen wetenschapsdisciplines die overwegend, maar niet uitsluitend, in het Engels plaatsvinden. En vanzelfsprekend moeten buitenlandse studenten in het Engels onderricht krijgen binnen onze gespecialiseerde opleidingen. Bestuurders moeten er zich evenwel ook van bewust zijn dat een universiteit verplichtingen heeft ten aanzien van de lokale omgeving of dus het taalgebied en de gemeenschap die erbij gebaat zijn. Al was het maar omdat veel gemeenschapsgeld naar het (hoger) onderwijs stroomt en de meeste gediplomeerden later wellicht een baan hebben in de eigen taalgemeenschap op lokaal niveau. Dat deze studenten eerst uitstekend (academisch) Nederlands moeten beheersen, naast andere talen, spreekt vanzelf. Alleen zijn onze bestuurders daar vandaag niet van overtuigd en wordt nogal snel de retoriek van de Shanghai Ranking, mondiale wetenschappelijke geloofwaardigheid en het belang van internationalisering bovengehaald. Er is méér dan dit.

Naar aanleiding van de (vice)rectorverkiezing aan mijn alma mater in april mag de discussie binnen de universitaire gemeenschap over de taal van het hoger onderwijs een strijdpunt zijn. Al maak ik mij weinig illusies.

  1. Academisch taaldebat en het historisch perspectief

Pro en contra

De toenemende verengelsing van het academisch onderwijs beroert de gemoederen. Overwegend  universitaire docenten mengen zich in het debat. Studenten, voor wie de colleges zijn bestemd, roeren zich vooralsnog weinig. Op 1 december 2016 publiceerde De Standaard een opiniestuk van Gita Deneckere, Bruno de Wever en Antoon Vrints, drie historici verbonden aan de Universiteit Gent, met de veelzeggende titel “Verengelsing maakt onderwijs slechter”. Enkele dagen later verscheen een reactie van de historica Magaly Rodriguez Garcia, werkzaam aan de KU Leuven, waarin het tegenovergestelde is betoogd: “Van meer Engels wordt je Nederlands beter”.

Op de wandelpaden van het Vlaamse academische landschap zijn deze en andere standpunten onderwerp van gesprek. Sommigen beweren dat de discussies over Engels als onderwijstaal niet meer dan achterhoedegevechten zijn. Master- en research-masteropleidingen, zo betogen zij, worden aan Nederlandse universiteiten in het Engels gedoceerd. En ook opleidingen aan Vlaamse academische instellingen hebben de deur al langer dan gisteren wagenwijd opengezet voor de hedendaagse wetenschappelijke lingua franca die het Engels is. Collega’s die niet overtuigd zijn van de flexibilisering in het taalbeleid van Vlaamse universiteiten vestigen de aandacht op de toenemende kloof tussen een academische elite (studenten en onderzoekers) én vele anderen die niet deelnemen aan het universitaire leven. Een universiteit wordt betoelaagd met veel gemeenschapsgeld, maar de participatie van de gemeenschap wordt bemoeilijkt door colleges in toenemende mate in het Engels aan te bieden. Daarenboven, zo stellen zij, voldoet de kennis van het Engels als doceertaal niet aan minimale vereisten. Er wordt dan al snel gesproken over steenkolenengels. Ondanks allerlei taaltests en de kwaliteitsbewaking waarvoor rectorale overheden garant staan. Het is dan nog maar de vraag of de Engelse taalvaardigheid van vele studenten voldoende is om op academisch niveau een specialisatieopleiding te volgen.

De Gentse geschiedkundigen wierpen in hun opiniërende bijdrage op dat het niet evident is te tornen aan de taalnorm. De voertaal van de Universiteit Gent is Nederlands. Buitenlandse onderzoekers krijgen vanaf hun aanwerving drie jaar de tijd een taalcursus te volgen en te slagen voor een test Nederlands. Er is geopperd de termijn te verlengen tot vijf jaar. De standpunten kunnen in De Standaard worden nagelezen. Het opiniestuk van Rodriguez Garcia staat daarenboven op de perspagina van KU Leuven.

Welsprekendheid en Cours de Littérature Flamande

De viering van tweehonderd jaar Universiteit Gent (1817-2017) biedt een uitgelezen kans zich te verdiepen in de rijke historie van de alma mater. UgentMemorie.be, de website van de vakgroep Geschiedenis die zich afficheert als “het virtuele geheugen van de UGent”, biedt onder meer een uitstekend gedocumenteerde inkijk in de geleverde taalstrijd. Al bij de oprichting van de universiteit, in de Hollandse tijd onder het gezag van koning Willem I, stond het Nederlands boven aan de agenda. Jarenlang hing een getekend portret in mijn kantoor op de Blandijnberg. De erfenis van mijn voorgangers laat een stijfdeftige, stuurse hooggeleerde zien die zelfzekerd voor zich uitstaart. De man heet Joannes Matthias Schrant en is een Amsterdamse priester en prediker die door Willem I is uitgenodigd in Gent Nederlandse landtaal en welsprekendheid te doceren. Dat was niet evident in die tijd. Nederlands werd in Vlaanderen niet gesproken. Frans en dialecten waren de omgangstalen voor respectievelijk de hogere en de lagere sociale klassen. De promotor van het Nederlands werd in Gent zelfs voorgedragen als de eerste rector. Bekende studenten van professor Schrant zijn Ferdinand Snellaert en ook Prudens van Duyse, auteur van het gedicht “Arm België, meizang” (1834) waaraan de mantra “De taal is gansch het volk” is ontleend.

Het geschiedverhaal dat zich de volgende twee eeuwen ontvouwt, laat zien hoeveel belang is gehecht aan het Nederlands als wetenschapstaal en als (moeder)taal van studie en letterkunde. In 1852 is het Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal wel Gaan opgericht in het Gentse atheneum. Twee jaar later, zo meldt UGentMemorie, maakte de vereniging deel uit van de universiteit. Dit jaar vieren de vrijzinnige studenten van ’t Zal wel Gaan de honderdvijfenzestigste verjaardag. Daarmee is het de oudste studentenclub van de UGent. Bij die gelegenheid mocht ik spreken over de letterkundige bedrijvigheid die het Genootschap heeft gefaciliteerd. Het is dankzij de volharding van de vrijzinnige en liberale studentengroep, na de weigering van de toenmalige rector en uiteindelijk een parlementaire beslissing, dat de eerste colleges Nederlandse taal- en letterkunde in Gent zijn aangeboden. De eerste docenten zijn Jacob Heremans, oprichter van de vrijzinnige Heremanszonen en later ’t Zal wel Gaan, en de cultuurflamingant Constant Serrure. De eerste jaargang van de Cours de Littérature Flamande had plaats in 1854. Dat is meer dan honderdzestig jaar geleden.

Nog een jaartal. In 1930 wordt na vier decennia van verwoede taalstrijd de Gentse Hogeschool vernederlandst. De eerste rector van de eerste Nederlandstalige universiteit in België is August Vermeylen, gecoöpteerd socialistisch senator en culturele spilfiguur. In de loop van de jaren dertig worden alle academische opleidingen in Gent aangeboden in het Nederlands. Het is volgens UGentMemorie het resultaat van “veertig jaar bitsige strijd om hoger onderwijs in de volkstaal”. Aan het eind van dat decennium ontving Corneel Heymans, hoogleraar aan een Nederlandstalige onderwijs- en onderzoeksinstelling wanneer de dominante wetenschapstaal het Frans is, de Nobelprijs voor de Geneeskunde.

Nederlands als voertaal

De geschiedschrijving van de decennialange strijd voor het Nederlands als volwaardige wetenschapstaal, na de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830), is geen vodje papier. In de actuele discussie over een tegemoetkoming binnen het taalbeleid ten gunste van het Engels kan niet lichtzinnig worden voorbijgegaan aan het geanimeerde verhaal van de taalstrijd in een overwegend Franstalige wereld van wetenschap. De voertaal van de universiteit was tussen 1817 en 1830 Latijn, nadien een eeuwlang Frans.

Docenten die om welke reden dan ook vandaag geneigd zijn nogal makkelijk toe te geven aan de lokroep van het Engels, kunnen zich best informeren over de historiek van de instelling en de sociale inbedding van de universiteit waar ze werkzaam zijn. Dat geldt des te meer voor de neerlandistiek. Het vakgebied zelf heeft mee vormgegeven aan de instelling zoals ze vandaag bestaat. Schrant, Heremans en Serrure, later Fredericq, Vuylsteke en Vermeylen zijn maar enkele namen in dat verhaal. Natuurlijk moeten ook neerlandici, teneinde hun vakgebied op het internationale forum levensvatbaar te houden, in het Engels lezingen aanbieden en in peer reviewed tijdschriften publiceren. Het is al even onnatuurlijk en zelfs ondenkbaar aan mijn universiteit over Nederlandse literatuur te doceren in het Engels voor Vlaamse, Nederlandse en ook veel anderstalige buitenlandse studenten. Docenten die vandaag de neerlandistiek onder hun hoede hebben, mogen zich bewust zijn van de lange traditie waarin ze door het universiteitsbestuur verantwoordelijkheid toebedeeld kregen. Kennis van de geschiedenis van de neerlandistiek in Gent alsook van de woelige taalgeschiedenis van mijn alma mater kunnen maar beter tot het vormingspakket van docenten en ook studenten behoren. Geschiedenis is niet alleen een vakopleiding waar men ten behoeve van buitenlandse instroom almaar meer voor Engels als onderwijstaal opteert. Kennisneming van de universiteitsgeschiedenis kan managers, bestuurders, docenten en studenten ervan overtuigen dat er voorgangers zijn die voor het Nederlands als wetenschaps- en onderwijstaal een harde strijd hebben geleverd. Vooralsnog vang ik geen signalen op dat het universitaire taalbeleid drastisch wordt gewijzigd. Maar ik hoor ook almaar meer ruis. Misschien is het de ruis van een sluimerende wending, naar Nederlands academisch model, die mij niét alleen uit misplaatste nostalgie maar wel vanuit een taalbewustzijn naar het verleden laat teruggrijpen.

Is de taalregeling verouderd?

De vraag naar voldoende kennis van het Nederlands is geen zwaktebod, bijvoorbeeld uit angst voor het steenkolenengels. Een overgrote meerderheid van de afgestudeerde masters komt met het diploma terecht in een Nederlandssprekende professionele werkomgeving. Dat lijkt mij een voldoende reden om blijvend in te zetten op de Nederlandse taal op hoger-onderwijsniveau. De studenten van vandaag geven de fakkel door aan de kinderen van morgen. We kunnen ons maar beter bewust zijn van de implicaties die een versoepeling van de taalregeling met zich meebrengt. Laten we de voorstanders van de aanpassing altijd weer vragen naar steekhoudende argumenten en gedegen redenen. Van meer Nederlands wordt je Nederlands ook beter.

Met dank aan UGentMemorie en de bijdragen van Fien Danniau.

  1. Taaldebat en het hoger onderwijs

Op 2 maart 2017 maakte De Standaard in de bijdrage “N-VA [Nieuw-Vlaamse Alliantie, politieke party] tegen meer Engelstalige opleidingen” bekend dat de “Universiteit Gent [af wil] van de strikte regeltjes die Engelstalige opleidingen belemmeren” (http://www.standaard.be/cnt/dmf20170301_02758131). Naar verluidt wil het bestuur “meer autonomie” inzake taalbeleid en kunnen de taalnormen voor hoger onderwijs worden versoepeld. Aanleiding voor het persbericht is een advies van de VLOR, de Vlaamse Onderwijsraad, waarin “de afschaffing van die quota” wordt bepleit. De VLOR, waarin ook de hogere onderwijsinstellingen vertegenwoordigd zijn, toont zich met het advies weinig bewust van het verleden en houdt geen rekening met de taalcompetenties van het overgrote deel van het studentenpubliek aan Vlaamse universiteiten.

Taalquota

De quota bepalen dat 35% van de masteropleidingen en 6% van de bacheloropleidingen in een andere taal dan het Nederlands mogen worden aangeboden. Indien een Engelstalige opleiding bestaat, moet die strikt genomen minstens aan een andere universiteit ook in het Nederlands worden voorzien. Aan deze taalregeling wordt nu getornd. In tegenstelling tot de uitspraken van N-VA over de kwestie, zo meldt De Standaard, stelt het kabinet van Hilde Crevits, minister van onderwijs, dat het advies van de VLOR (nog) niet ter sprake kwam in de regering.

Enkele maanden geleden kwamen de taalvoorwaarden voor het hoger onderwijs al ter sprake. Het ging toen over de termijn waarbinnen anderstalige professoren de kans krijgen zich het Nederlands, de wettelijk bepaalde voertaal van de Universiteit Gent, eigen te maken en het getuigschrift Nederlandse taalvaardigheid niveau B2 te behalen. Nu is dat nog drie jaar, binnenkort is het een termijn van vijf jaar.

Het mag duidelijk zijn dat bestuurders van de Universiteit Gent, althans volgens de woordvoerder, ijveren voor een meer flexibele hantering van de taalnorm. Méér buitenlandse studenten die Nederlands-onkundig zijn moeten een opleiding kunnen volgen aan de alma mater en moedertaalsprekers Nederlands krijgen dankzij een Engelstalige specialisatieopleiding gemakkelijker toegang tot het internationale circuit van het vakgebied. Het zijn argumenten die de revue passeren.

Pro & contra

Er zijn pro’s en contra’s. De Raad voor de Nederlandse taal en letteren van de Taalunie stelde recent een rapport samen waarin aanbevelingen worden geformuleerd voor het “Nederlands als taal van wetenschap en hoger onderwijs” (september 2016). In de notitie van 26 pagina’s presenteert de Raad, het adviesorgaan van het Comité van Ministers in Nederland en Vlaanderen, een genuanceerde visie op het taalbeleid voor tertiair onderwijs in het Nederlandse taalgebied. In de Nieuwsbrief 5 (oktober 2016), met de titel “Niet alles Engels, please” en gepubliceerd in het online tijdschrift van de Taalunie Taalunie: bericht (http://taaluniebericht.org/artikel/taaltrends/niet-alles-engels-please), betoogt Reinhild Vandekerckhove (Universiteit Antwerpen en voorzitter van de Raad) dat er vooral geen kruistocht moet worden gevoerd tegen het Engels. Ik citeer: “Wij zien het belang van het Engels als internationale wetenschappelijke publicatietaal en het belang van het Engels voor de internationalisering van het hoger onderwijs. Maar dat volledige opleidingen zomaar verengelsen, vinden wij wel een punt van zorg. Vaak gebeurt het niet om weldoordachte redenen, maar vanuit commerciële overwegingen”.

Vooral het woordje “zomaar” springt in het oog, en natuurlijk ook de “commerciële overwegingen”. De door de VLOR voorgestelde en in de praktijk al enkele jaren ingezette versoepeling van de taalquota is in vele gevallen gebaseerd op weinig beredeneerde keuzes. We moeten inderdaad niet “zomaar” het hoger onderwijs verengelsen. Daarover moet goed worden nagedacht en het is van belang dat daarover een breed maatschappelijk debat wordt gevoerd. We zijn het aan de samenleving verplicht. Indien naast een Engelstalige opleiding in Vlaanderen altijd aan “een andere universiteit in Vlaanderen dezelfde studie grotendeels in het Nederlands” moet worden aangeboden, zo stelt de Vlaamse regelgeving, dan hangt daar een behoorlijk prijskaartje aan vast. Wie zal dat betalen? De economische reden mag geen aanleiding zijn om dan maar alles te verengelsen. Hoe ver gaat de versoepeling eigenlijk?

Cijfers en argumenten

Overigens komt de Raad van de Taalunie ook met cijfergegevens. De Standaard citeert in hetzelfde artikel CD&V-parlementslid [Christen-Democratisch en Vlaams, politieke party] Kathleen Helsen. Er is sprake van “1,85 procent van de bacheloropleidingen” die vandaag Engelstalig zijn “en 21,59 procent van de masters”. Indien de norm is bepaald op respectievelijk maximaal 6% en 35%, dan is er nog verengelsingsmarge. De cijfers komen inderdaad overeen met wat in de Nieuwsbrief van de Taalunie staat. Ter vergelijking: aan Nederlandse universiteiten wordt 66% van de masteropleidingen in het Nederlands aangeboden en 18% van de bacheloropleidingen (in de hogescholen respectievelijk 25% en 6%).

Het mag duidelijk zijn dat wie tornt aan de quota de deur openzet naar een groeiende verengelsing van het hoger onderwijs. Er zijn soms goede redenen om die stap te zetten – zo wijst een recente discussie uit die ik voerde met studenten van verschillende faculteiten aan de Universiteit Gent. Er zijn vakgebieden die sterk internationaal zijn georiënteerd en waarvoor de wetenschappelijke lingua franca het Engels is. Wie mondiaal wil meespelen op wetenschappelijk gebied, moet in het Engels publiceren en is gebaat bij een Engelstalige opleiding. Tegelijk mogen we de eigen moedertaal niet uit het oog verliezen. Ook in het Nederlands kan en moet gelijkwaardig (excellent) onderzoek plaatsvinden. Het academisch vertoog over een vakdiscipline kan en moet ook in het Nederlands worden gevoerd. De meeste gediplomeerden komen terecht op de arbeidsmarkt van ons taalgebied en moeten zich als universitairen uitstekend kunnen uitdrukken in het Nederlands, en ook de vakterminologie in de moedertaal beheersen. Het is niet een verhaal van “of-of” maar “en-en”.

Oproep

Ik roep de bevoegde universiteitsbestuurders, politici, professoren en studenten op in het licht van het taaldebat de Kroniek van de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit (Archief RUG) te lezen. Op instigatie van professor Karel de Clerck is in 1980, ter gelegenheid van de viering van de vernederlandsing van de Gentsche Hoogeschool (1930-1980), een bijzonder lezenswaardig panorama samengesteld waarin een eeuw van niet aflatende strijd voor een Vlaamse universiteit in Gent rijk is gedocumenteerd. Velen hebben zich na de Hollandse tijd, vanaf de onafhankelijkheid van België, tot de taalwetgeving van 1930 ingezet voor hoger onderwijs in het Nederlands. Die strijd is gevoerd in de overtuiging dat een cultuurgemeenschap en een universiteit zich niet moeten isoleren door te opteren voor eentalig moedertaalonderwijs. Zo genuanceerd waren de pleitbezorgers van een vernederlandste universiteit in vele gevallen wel.

Enkele maanden geleden, op 27 december 2016, stuurde ik de opleidingsverantwoordelijken de aanbevelingen van de Taalunie inzake “Nederlands als taal van wetenschap en hoger onderwijs” met het verzoek de leden van de opleiding daarover te informeren. Het rapport kan onderaan het Taalunie:bericht worden gedownload (http://taaluniebericht.org/artikel/taaltrends/niet-alles-engels-please). Daarmee is in zoverre ik dat weet nog niets gedaan. De eigen opleiding Taal- en Letterkunde is per definitie meertalig en het Nederlands is één van de bestudeerde talen op academisch niveau. Het taaldebat speelt in een talenopleiding misschien minder. Al klinkt dat nu zeer paradoxaal. Personeelsleden die in de opleiding actief zijn, mogen zich hopelijk meer betrokken en taalgevoelig noemen dan collega’s werkzaam in andere disciplines. Daarom ondersteun ik openlijk het initiatief van de collega’s van de vakgroep Geschiedenis die een debat organiseerden met als titel “Going English? Wie betaalt de rekening?” (http://www.ugentmemorie.be/nieuws/going-english-wie-betaalt-de-rekening). Verengelsing hoeft geen sluimerend of woekerend bestaan te leiden. Daarover is debat nodig.  Voorafgaand aan dat debat formuleerde ik mijn reserves bij het advies van de VLOR en roep ik op om met open vizier, niet partijpolitiek gestuurd, en ernstig na te denken over de consequenties van de geadviseerde versoepeling van de taalwetgeving.

Tot besluit citeer ik uit de Kroniek, het Belgische Staatsblad, van 16 april 1930, waarin het eerste artikel van de door koning Albert I ondertekende wet “betreffende het gebruik der talen aan de universiteit te Gent” is weergegeven: “Te rekenen van het academisch jaar 1930-1931, wordt het onderwijs, aan de universiteit te Gent in het Nederlandsch gegeven. Het Nederlandsch is de bestuurstaal van de universiteit.”

De verkiezing van de nieuwe rector en vicerector moet over veel gaan, maar wat mij betreft ook over taal. Er zijn faculteiten waar bijna alle opleidingen in het Engels worden gedoceerd en waar misschien nog maar weinig discussie bestaat over de administratieve, bestuurs- en vooral de onderrichtstaal. Overigens zullen niet alleen professoren maar ook studenten van de Universiteit Gent tijdens de verkiezing hun stem uitbrengen. Het is goed te beseffen dat aan onze alma mater in vele jaren van verfransing en dedain ten opzichte van het Nederlands culturele ontvoogding en taalbewustzijn gedurende meer dan een eeuw de inzet van een verbeten strijd zijn geweest. Een strijd die in 1930 is beslecht maar nu weer open is verklaard.

Kroniek van de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Karel de Clerck (red.), Archief R.U.G., Gent, 1980 en 1985 (tweede druk).

  1. De smalle mens van morgen?

Het is hier al gesteld: instellingen voor hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen voeren een taalbeleid dat almaar meer in de kaart speelt van het “globish”. Volgens criticasters rolt niet zozeer een golf van verengelsing door de universitaire auditoria, maar wordt het Engels verbasterd tot een weeskind van die prachtige Angelsaksische dichterstaal.

Aan Nederlandse universiteiten worden bacheloropleidingen en in toenemende mate masterspecialisaties aangeboden in de wetenschappelijke lingua franca van de wereld van vandaag. De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) maakte enkele weken geleden een advies bekend en bepleit daarin de taalvaardigheid van studenten. Voor bestuurders is dit een aanmoediging om binnen de bestaande taalwetgeving méér academisch onderwijs in dat verderfelijke “globish” te voorzien.

Een van de misvattingen van bestuursleden en opleidingsverantwoordelijken is dat taal een medium is. Niets meer dan een vehikel om kennis over te dragen en met elkaar te praten. Bijgevolg is taal een nuttig instrument om meer buitenlandse studenten aan te trekken en een hogere plek te veroveren in de Shanghai Ranking.

Het spreekt voor zich dat professoren en studenten internationaal meespelen indien zij afdoende Engels beheersen en deelnemen aan het wetenschappelijk vertoog binnen hun vakgebied. Taal is dan inderdaad een instrument.

Behalve een communicatiemiddel is taal echter veel meer nog een manier van denken. Onze studenten zijn gebaat met meertaligheid, met de rijkdom van culturele diversiteit. Internationalisering impliceert niet alleen verengelsing. We zijn hoe we spreken en wat we zeggen. Daar horen nuances bij, er is zoiets als taalgevoeligheid. Wie aan een universiteit taalvaardigheid reduceert tot de beheersing van een medium begrijpt het verkeerd. Taal en cultuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De cultuurgemeenschap waarin de universiteit is gevestigd en waarin ze functioneert is geen verwaarloosbaar detail.

Hoger onderwijs moet ruimte laten voor specialisatie die in het Engels, en waarom niet Frans of Duits, kan verlopen. En in het Nederlands, in Europees perspectief een middelgrote taal. Onze moedertaal is rijkgeschakeerd. Niet alleen de poëzie in onze taal scheert internationaal hoge toppen. Ze maakt een fijnmazig discours binnen een wetenschapsdiscipline mogelijk. Elk jaar volgen meer dan honderd buitenlandse studenten, van de VS tot China en India, een zomercursus Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Gent. Buiten het taalgebied zijn er méér studenten Nederlands dan aan universiteiten in Nederland en België. Blijkbaar is Nederlands een bijzonder boeiende taal die met verwondering en belangstelling wordt gestudeerd door duizenden wereldburgers.

Er zijn soms goede redenen om voor een Engelstalige opleiding te kiezen, maar de argumenten om een vak in een andere taal dan het Nederlands te doceren moeten dan wel inhoudelijk zijn, en niet puur gebaseerd op mogelijke toename van het aantal studenten. Vandaag merken we echter een lichtzinnige verspoeling van de taalregelgeving. Nederlands wordt als onderwijstaal, in Nederland meer dan in Vlaanderen, ter discussie gesteld. Bestuurders vergeten daarbij iets cruciaals: de universiteiten zijn het aan de samenleving verplicht, in onze contreien overwegend bestaande uit moedertaalsprekers Nederlands, een “return on investment” te geven. Ongelooflijk veel belastinggeld gaat naar hoger onderwijs. De maatschappij, waar het merendeel van de gediplomeerden aan de bak komt, verdient goed opgeleide masters die een uitstekende beheersing hebben van het Nederlands. Hoe rijm je de maatschappelijke verantwoordelijkheid van universiteiten met de taalkloof die door dezelfde instellingen wordt georganiseerd?

Kritische burgers hebben veel meer aan meertaligheid en culturele diversiteit. Slecht Engels behoort niet tot de beoogde competenties. Wij houden een pleidooi voor beter academisch Nederlands, meer literatuur in alle faculteiten. Wij geloven in het belang van taalbewustzijn en streven naar rijke persoonlijkheden. De keuze voor “globish” is in dat opzicht een zwaktebod.  Het is hoog tijd voor een rationeel en emotioneel taaldebat. Omdat globalisering niet zozeer verengelsing is maar respect voor en verdieping in meertaligheid en andere culturen.

Noot: twee bijdragen zijn inmiddels gepubliceerd als blog. “Academisch taaldebat en het historisch perspectief” is verschenen op de website van Knack Magazine: http://www.knack.be/nieuws/belgie/vraag-naar-hoger-onderwijs-in-het-nederlands-is-geen-zwaktebod-uit-angst-voor-steenkolenengels/article-opinion-798495.html (7 januari 2017). De opiniërende bijdrage “Taaldebat en het hoger onderwijs” was eerst te lezen op Neerlandistiek.nl en op het weblog van het Instituut voor Publieksgeschiedenis (Universiteit Gent):  http://www.ipg.ugent.be/nl/content/de-taalstrijd-weer-open-verklaard (7 maart 2017). De derde tekst is geschreven samen met Piet Gerbrandy,  universitair docent Klassiek en Middeleeuws Latijn aan de Universiteit van Amsterdam, en verschijnt eerlang in de Nederlandse landelijke krant NRC.

  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top