Schrijversengagement in Vlaanderen en apartheid. Phil du Plessis en Breyten Breytenbach

  • 0

Breyten Breytenbach

In de bundel Schrijven of schieten? (Standaard Uitgeverij, Antwerpen/Utrecht 1969), samengesteld door de Antwerpse schrijver en journalist Fernand Auwera (1929-2015), zijn dertig vraaggesprekken opgenomen. De achterplattekst maakt melding van een panorama van “30 Nederlandse schrijvers uit Noord en Zuid”, naar het model van Herman J. Claeys’ bundel Wat is Links? (1966). In tegenstelling tot Claeys bundelde Auwera, vanaf 1970 Vlaams correspondent van de Volkskrant, gesprekken met “maatschappelijk geëngageerde auteurs” als “bepaalde vertegenwoordigers van allerlei richtingen, genres en manifestatievormen”, “oudere en jongere, linkse en rechtse, gelovige en ongelovige, geïntegreerde en opstandige schrijvers”: onder anderen Hugo Claus, Gust Gils, Hella Haasse, Gerrit Kouwenaar, Marcel van Maele, Ivo Michiels, Hugues C. Pernath, Gerard Walschap en Paul de Wispelaere. De expliciete vermelding van Nederlandstalige auteurs op het achterplat en in de inleiding is opmerkelijk. Er komen in de verzameling immers twee Zuid-Afrikaanse (Afrikaans schrijvende) auteurs aan het woord: Phil du Plessis en Breyten Breytenbach.

Het is geen toeval dat Auwera’s Schrijven of schieten? eind jaren zestig is verschenen. In een periode waarin kunst een kritische functie kreeg toebedeeld en zelf het voorwerp van kritiek was (“de dood van de roman”), is nagedacht over de maatschappijkritische rol van de literaire schrijver. In de lijn van Jean-Paul Sartres Que’est-ce que la littérature, verschenen kort na de Tweede Wereldoorlog, worden literatuur en een maatschappijkritisch engagement met elkaar verbonden. Het tweede deel van Auwera’s boekproject, een jaar later uitgegeven met de titel Geen daden maar woorden, presenteert interviews met “mensen die met woorden werken zonder dat men ze […] over het algemeen tot de literatuur rekent, althans tot de literatuur op stijve poten”.

Phil du Plessis

De Zuid-Afrikaanse apartheidspolitiek komt in Schrijven of schieten? twee keer aan bod. De antwoorden van Du Plessis en Breytenbach zijn overigens in het Afrikaans afgedrukt. Du Plessis is kritisch voor Breytenbachs revolutionaire ideeën die sinds 1961 vanuit Parijs worden verspreid. De schrijver kon in 1969 nog niet bevroeden dat enkele jaren later Breytenbach zou worden veroordeeld tot een gevangenisbestaan van negen jaar. Vooral de meningen die Brink en Breytenbach in buitenlandse media over Zuid-Afrikaanse politieke en maatschappelijke kwesties formuleren, ligt voor de schrijver moeilijk. Du Plessis: “[N]ou kry jy Afrikaanse skrywers soos die here André P. Brink en Breyten Breytenbach. […] Hulle politieke benadering mag dus progressief wees; letterkundig is hulle benadering middeleeuws. Dit is natuurlik maklik vir die geldskrywer Brink en die geldskilder Breytenbach om vrot eiers na die skrywers in S.A. te gooi – goeie ou spreekwoord sê mos: die beste – is dit die beste? – stuurlui staan aan wal. Hulle is nie leiers in die Afrikaanse gemeenskap nie. Dit is lekker om in die veilige Parys te sit en dikteer en jou as leier van die Afrikaner voor te doen”. De kosmopolitische positionering van de Sestigers en het maatschappelijk engagement zijn niet door alle tijdgenoten op gejuich onthaald. Du Plessis beschuldigt Breytenbach en Brink van lafhartigheid: “Lafaarde is hulle wat revolusies in S.A. wil bepleit, tot opstand aanmoedig en self in die veilige afstand ver van hier in Parys sit. Langafstandprojektiele kweek nie leiers nie, maar outomate, knoppie-drukkers. Mnr. Breytenbach verwys na Guevara – een van die kokke van die utopiekoek, sou Etienne Leroux sê – maar weet hij dat die Kubaanse revolusionêr selfs sy vrou verlaat het om elders sy oortuiginge uit te leef? Hoekom doen mnr. Breytenbach dit nie? Broekskyter!”. Zo gaat de tirade van Phil du Plessis nog even verder.

Voor Fernand Auwera was het gesprek met de Zuid-Afrikaanse dichter een aanleiding om ook Breytenbach aan de tand te voelen. Het is in zoverre ik het kon nagaan het vroegste interview met Breytenbach in een Vlaamse literaire context. In de inleidende tekst van Schrijven of schieten? licht de samensteller zijn keuze voor auteurs toe. Dat twee Zuid-Afrikanen in het interviewboek optreden, heeft te maken met een vergelijkend opzet. “[N]iet enkel de mening van elke auteur afzonderlijk [kan] interessant […] zijn, maar vooral het vergelijken, naast en tegenover elkaar stellen van deze meningen”. Bovendien was Du Plessis geen onbekende in Vlaanderen. Naast Nederlandse vertalingen van zijn dichtwerk is er de medewerking aan tijdschriften, zoals het experimentele Labris, Yang en Artisjok.

Volgens Auwera nemen Du Plessis en Breytenbach, in Nederland al lang geen onbekende meer, ieder “een niet-officieel standpunt [in] tegenover de apartheidspolitiek. Phil du Plessis is genuanceerd en met bepaalde reserves pro, Breyten Breytenbach is radicaal contra”. Du Plessis’ desavouering van Breytenbach wordt duidelijk in dit perspectief. Phil Du Plessis: “[I]n onlangse koerantberigte het [Breytenbach] openlik gepleit vi[r] die Kommunistiese terroriste wat S.A. uit die Noorde binnedring. Hy noem hulle vryheidsvegters, ‘ons vryheidsvegters’. Maar wie is hierdie ‘ons’? want hierdie selfde meneer Breytenbach, wat die Nederlandse [burgers, yt] so belieg, het reeds talle kere daarop gesinspeel dat hy aansoek gedoen het om ’n Franse burger te word! Is hierdie terroriste nou die vryheidsvegters van Frankrijk? Het mnr. Breytenbach al aansoek om Franse burgerskap gedoen? Nee? Hoekom nie?”. De woorden van Du Plessis zijn door de tijd ingehaald, maar het antagonisme is duidelijk. In Vlaanderen trachtte Du Plessis Brink en Breytenbach voor te stellen als “vyandige buitelanders” en in diskrediet te brengen.

Breyten Breytenbach

Aangezien de teksten zijn geordend volgens de datum van het interview, heeft Auwera na het vraaggesprek met Du Plessis Breytenbach gecontacteerd. Enkele interviews zijn voorgepubliceerd in kranten, maar niet de bijdragen over en met de Zuid-Afrikanen. Zoals in de andere interviews wordt de schrijver en schilder (Don Juan) ondervraagd over diens “schrijversengagement”. Zonder een verwijzing naar Du Plessis’ aantijgingen reflecteert Breytenbach over de Westerse cultuur en de rol van de intellectueel. Hij gelooft in een revolutie “uit die Derde wêreld […] gerig teen die hoofstad, die ‘kapitaal’ – die Westerse waardes en die inheemse verkoopsagente van daardie waardes, die elite”. Het geloof is gericht op de Derde Wereld die het Westen kan dwingen tot een revolutie. Over de rol van de schrijver is hij naar eigen zeggen pessimistisch gestemd. De Havanna-conferentie, waaraan ook Mulisch en Claus deelnamen, heeft de westerling weinig nut gebracht. In zijn replieken hanteert Breytenbach een idiolect dat vertrouwd in de oren klinkt: “die siening van ’n voortdurend hernieude waardebepaling”, “’n permanente mutasie”. De westerse wereld, zo zegt Breytenbach, is het vertrouwen in de eigen cultuur kwijtgespeeld. Het superioriteitsgevoel van de westerse linkse intellectueel is gebaseerd op niets anders dan illusies. De houding tegenover de apartheidspolitiek van Zuid-Afrika is hypocriet. Hoezeer verontwaardigd ook, het politiek beleid van westerse landen tegenover Zuid-Afrika heeft “geen uitwerking”, is een spelletje geworden.

De tegenstelling tussen opvattingen over de Zuid-Afrikaanse apartheidspolitiek, Du Plessis versus Breytenbach, kan niet scherper worden gesteld. Du Plessis: “Ek kan sê dat ek apartheid basies steun as die beste manier om ’n primitiewe gemeenskap pynloos te lei na volwassenheid in ’n mededingende westerse atmosfeer. Ek sien apartheid egter merendeel in die sin van die respek vir nasionaliteit, eie gewoontes en die drang in die mens na eie gebied waar hy baas kan wees oor homself”. Aan de racistische  stellingname van deze schrijver kan niet worden getwijfeld: “Natuurlik ’n wit demokrasie, of ’n demokrasie waar die wat nie van Europese afkoms is nie weinig rol in speel, behalwe in ’n raadgewende hoedanigheid”. En dan Breytenbach: “Met een of twee uitsonderings – soos bv. Jan Rabie of soos Dirk Opperman en Uys Krige, neem die blanke skrywer selde kennis van die apartheidsprobleem”. Voor de duidelijkheid: het interview is opgenomen in 1969, nog voor de opstand in Soweto. Breytenbach: “’n Blanke skrywer of digter sal wel soms raak aan die toestand van die kleurling wat vir hom toegeskryf moet word aan die kleurling se kleurlingskap”. Breytenbachs antikapitalistisch standpunt heeft alles te maken met “ekonomische uitbuiting wat ’n klasse- en rassediskriminasie laat voortleef in die naam van ‘demokrasie’ en ‘vryheid’”.

Het interview met Breytenbach, dat afsluit met de later door Adriaan van Dis geciteerde zin “Maar in die heel eerste plek weet ek dat die swart kinders van my land nie opgeswelde buike het van ’n gebrek aan poësie nie”, is voor de eigentijdse Vlaamse lezer niets anders dan een positiebepaling. Breytenbach stelt op het einde van het vraaggesprek zelfs expliciet “dat dit soms nodig word om die geweer op te neem. […] Geen kunsvorm staan bo die lewe nie”. En dan volgt een getuigenis, die de schrijver later na zijn arrestatie in 1975 parten heeft gespeeld: “En wat my persoonlik betref, hier en nou – ek moet probeer op enige moontlike manier om hulle wat aan bewind is in my land aan te val, aan die kaak te stel, te ondermyn – dit beteken dat ek alles in my vermoë doen om my landgenote wat reeds die gewapende stryd teen die reaksionêre en in wese fascistiese Suid-Afrikaanse regering opgeneem het te help. En as daar van my gevra word om die geweer op te neem en as ek sodoende van meer hulp kan wees as nou, hier [in Parijs, yt], dan moet ek dit ook doen”. Het is een wereldwijde strijd tegen “facsisme, vervreemding, verrotting, uitbuiting, imperialsme en al die ou verslete waardes van die kapitalisme”.

Sociale bewustwording

In Schrijven of schieten? kreeg Breytenbach van Fernand Auwera de gelegenheid voor een Vlaams lezerspubliek zijn politieke strijd als lid van de in Zuid-Afrika verboden partij ANC en medeoprichter van Okhela toe te lichten. Dezelfde politiek-ideologische teneur vinden we in een opstel van Stefaan van den Bremt. Toen ‘Breytenbach en Brink: twee barsten in het Afrikanerdom’ in Tijdschrift voor Diplomatie (juni 1977, p. 515-520) is verschenen, was Breytenbach nagenoeg twee jaar in gevangenschap. In de Breytenbachstudie, vanuit een Vlaams perspectief, is ook die tekst het bestuderen waard.

Fernand Auwera heeft het opzet van Schrijven of schieten? becommentarieerd in de inleiding. Hij getuigt: “Slechts al schrijvende, door de daad van het schrijven zelf, ben ik persoonlijk me bewust geworden van de wereld waarin ik leef. Enkel en alleen door de invloed die de literatuur op me heeft uitgeoefend ben ik sociaal bewust geworden, mij mede verantwoordelijk gaan voelen voor de maatschappij waar ik toe hoor, met of tegen mijn zin”. Deze sociale bewustwording, in de revolutionaire jaren zestig, verklaart Auwera’s belangstelling voor de Zuid-Afrikaanse literatuur. De positionering van de schrijver in Zuid-Afrika (Afrikaans- en Engelstalig – over andere talen wordt niet gesproken) tegenover de apartheidspolitiek maakt deel uit van de poging “dit vrij recente besef [sociale betrokkenheid, yt] in [Auwera’s] werk te structureren”. Beide politieke standpunten, van Du Plessis (“genuanceerd en met bepaalde reserves pro [apartheid]”) en Breytenbach (“radicaal contra”), laten zien dat de Vlaamse journalist vooral uiteenlopende sociaal-kritische meningen aan bod wilde laten komen. In ieder geval is dit interview, in Zuid-Afrika wellicht niet bekend, een van de eerste publieke getuigenissen van Breytenbach in Vlaanderen.

In het Van Dis-archief is een kopie bewaard van het schrijversinterview alsook van Stefaan van den Bremts tekst over Brink en Breytenbach. Dank aan het Literatuurmuseum voor de gastvrijheid. De interviews met Phil Du Plessis en Breytenbach Breytenbach kunnen worden gelezen in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren: https://www.dbnl.org/tekst/auwe002schr02_01/.

  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top