Remco Campert en Breyten Breytenbach

  • 0

Remco Campert en Breyten Breytenbach

In de vooravond van dinsdag 18 april wordt een nieuw boek van Breyten Breytenbach boven de doopvont gehouden. De zingende hand, een keuze uit Breytenbachs derde omvangrijke verzamelbundel Die singende hand. Versamelde gedigte 1984–2014 (2016) in een vertaling van Laurens van Krevelen, is een uitgave van Podium. Bij deze gelegenheid heeft het Zuid-Afrikahuis (Amsterdam) naast de auteur en de vertaler Remco Campert en diens biograaf Mirjam van Hengel uitgenodigd.

Terug naar de jaren zeventig: literair asiel in Nederland

Het is bekend dat de optredens van Breytenbach op Poetry International vanaf 1971, de uitgave van Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf (Poetry International Serie, Meulenhoff 1972), de vertalingen door Adriaan van Dis en ook de medewerking aan Raster, het modernistische eenmansperiodiek van HC ten Berge, in de jaren 1969–1972 aanzienlijk hebben bijgedragen tot de vroege naamsbekendheid van Breytenbach in Nederland. De Breytenbachreceptie is beschreven door Jaap Goedegebuure (1993) en Erik van den Bergh (2003). Goedegebuure noteert in zijn artikel “Breyten Breytenbach in de spiegel van de Nederlandse kritiek” dat “men kan volhouden dat de publikatie van Skryt en andere bundels van Breytenbach bij de uitgeverijen Meulenhoff en Van Gennep laat zien dat […] sprake is van de inlijving van een Afrikaanse dichter bij de Nederlandse literatuur. De bekroning met de Van der Hoogtprijs in 1972, en met een speciale prijs van de Jan Campertstichting bij gelegenheid van Breytenbachs vrijlating eind 1982 bezegelen de bijzondere positie die Breytenbach […] inneemt” (1993: 219).

Ook en vooral tijdens Breytenbachs gevangenschap (1975–1982), op het hoogtepunt van de antiapartheidsbeweging en de culturele boycot van Zuid-Afrika, hebben schrijvers in Nederland initiatieven op het getouw gezet teneinde de Zuid-Afrikaanse schrijver en beeldend kunstenaar steun te betuigen. Een van de vroegste publicaties is aan breyten breytenbach (1975), een uitgave van het Comité Breyten Breytenbach, de Rotterdamse Kunststichting en het Bureau Poetry International. Naast enkele buitenlandse passanten op Poetry leverden de Nederlandstalige dichters J Bernlef, C Buddingh’, Remco Campert, Gerrit Komrij, Sjoerd Kuyper, Eddy van Vliet en Marcel Wauters een creatieve bijdrage. In een woord vooraf refereren de samenstellers aan Breytenbachs betrokkenheid bij Poetry International – ik verwijs naar enkele anekdotes over Breytenbach in Bas Kwakmans recent verschenen Hotelkamerverhalen (2017) – en de jaarlijkse aanwezigheid op het Rotterdamse festival tot de arrestatie in 1975. Vooral de meeting die hij in 1972 onder de titel protest in poëzie organiseerde, wordt in herinnering gebracht. Onder anderen “de Zoeloe-dichter Mazisi Kunene, de Palestijn Mahmud Darwish, de Nigeriaan Wole Soyinka, de Engelsman Stephen Spender en de Griekse actrice Aspassia Pappathanassiou” namen deel aan de literaire protestbijeenkomst. Ook Breytenbachs optreden in 1974 wordt in de preambule gememoreerd: “Hij las bij die gelegenheid niet alleen eigen gedichten, maar vooral ook werk van Zuidafrikaanse [sic] vrienden en collega’s, die in hun en dus ook in zijn vaderland niet mochten publiceren”. De gelegenheidsuitgave aan breyten breytenbach is ontstaan uit verzet. De deelname van enkele auteurs die tot Vijftig worden gerekend is zoals nog verder blijkt niet opmerkelijk.

Na Poetry International ’75 hebben wij Breyten niet meer ontmoet. Eind augustus kregen wij uit Zuid-Afrika het bericht dat hij tijdens een illegaal bezoek aan dat land was gearresteerd. Eén van de dingen, die wij op dat moment konden doen, was zijn vrienden – oud-deelnemers als hij aan Poetry International – van dit feit op de hoogte te stellen. Wij hebben deze Collega’s van Breyten om een reactie gevraagd, het liefst in de vorm van een gedicht. Van vele dichters hebben wij inderdaad een dergelijke reactie ontvangen.

De veroordeling tot een gevangenisstraf van negen jaar en de opsluiting in volkomen isolement – in het voorwoord van aan breyten breytenbach wordt gewag gemaakt van “de berichten over de situatie, waarin Breyten Breytenbach verkeert, [zijn] steeds ernstiger geworden” – blijken de directe aanleiding voor het Comité om in het verweer te gaan. De organisatoren van Poetry International stellen:

Breyten Breytenbach zal dus niet aan Poetry International ’76 kunnen deelnemen. Dat spijt ons meer dan wij kunnen zeggen. Maar vanaf dit poëziefestival willen wij hem wel groeten en wij menen dit niet beter te kunnen doen dan met de gedichten, die door zijn collega’s in Nederland en daarbuiten aan hem werden opgedragen. Wij weten dat zij met Breyten meeleven en dat zij naast hem staan in zijn strijd om meer menselijkheid – ook in zijn geboorteland. Wij doen dat ook en daarom bieden wij hem thans symbolisch dit kleine en eenvoudige boekje aan. Wij hopen het hem snel persoonlijk in de handen [te] kunnen drukken. Breyten, wees sterk, heb moed.

Camperts “Aan Breyten”

Een van de deelnemers aan het project is Remco Campert. In zijn schrijverschap heeft de auteur zich altijd sociaal geëngageerd getoond: “De maatschappelijke betrokkenheid van Campert beperkt zich niet altijd tot milde spot. Met name zijn latere poëzie getuigt van een oprechte verbondenheid met de medemens en van verbolgenheid over maatschappelijk onrecht” (Franssen 2003: 15-16). Ter illustratie van deze stelling worden teksten in Rechterschoenen geciteerd. Ook “Aan Breyten” in de dichtbundel Theater (1979, 1983²) beantwoordt aan die stelling. Het gedicht dat Campert bijdroeg in aan breyten breytenbach kreeg een apostrof als titel en opent met een variant op de bekende Campert-regel “Poëzie is een daad / van bevestiging” in Het huis waarin ik woonde (1955).

Poëzie is een voorbeeldige daad
je kunt wel je leven lang elegant
er doorheen zwijnen
maar eens gebeurt het toch:
die afrekening met anderen
en die met jezelf

nu heb je het gedaan
en je bent hoop ik fier en ongebroken
nu kan niemand er meer omheen
nu heb je het voor jezelf zeker gemaakt
en daarmee voor ons

het is een lang pad naar de dood die vlakbij is

als je er uitkomt
uit de rose klauwen van het bijbeldom
weet ik: nooit
zien we je terug in je oude gedaante

wij in het moederland
dat aan jouw vermomming eens geboorte gaf.

Later heeft Campert het gedicht opgenomen in zijn eenmanstijdschrift Gedicht (jaargang 3, nummer 9-10, augustus 1976, p 145), in de bundel Theater en in de verschillende drukken van de auteurseditie Dichter. In een “noot van de auteur” achter in de verzamelbundel maakt Campert melding van een “paar gedichten waarvan ik dacht dat ze de eindstreep niet moesten halen [en] uit de race [zijn] gehaald”. Het protestgedicht ‘Aan Breyten” heeft de selectie kortom overleefd. In het gedicht, gecomponeerd in een narratieve parlando-stijl die in de neoromantische poëzie van de jaren zeventig wel vaker voorkwam (bv. de interjectie “hoop ik” in regel 8), richt de ik-verteller zich tot een je-figuur die we op basis van de titel met Breyten kunnen identificeren. Campert hanteert een retorisch procedé dat door herhalingen en parallellie wordt bepaald (bv. de anafoor “nu” in de tweede strofe, met in regel 7 en 10 dezelfde frasering: “nu heb je het”). Naast de referentiële passages (zie verder) is er de intratekstuele verwijzing naar “Poëzie is een daad…”. Het geïsoleerde twaalfde vers doet mij anachronistisch denken aan Long Walk to Freedom (1994) van Mandela. Campert heeft de begripvolle of beter gezegd de herkenbare relatie tussen “jij” en “wij in het moederland” – het spel met de pronomina – als structurerend principe gebruikt. De vrienden in Nederland, zo kunnen de slotregels worden gelezen, zullen de bevriende schrijver niet meer herkennen in zijn “oude gedaante” als de celdeuren zich ooit nog openen. Campert gebruikt een christelijke metafoor, “de rose klauwen van het bijbeldom”, om de dwingelandij van het wrede witte apartheidsregime te hekelen. Niet het christendom maar het “bijbeldom”, waarop de blanke minderheidsregering van Pretoria zich beriep, wordt als de bron van het kwaad bestempeld. De “klauwen” van het “bijbeldom” heten in de eerste versies “rose/roze”, later “bleke”. De arrestatie op 19 augustus 1975, toen Breytenbach vermomd en met vervalst paspoort terugkeerde naar Zuid-Afrika, en de veroordeling tot negen jaar gevangenschap op beschuldiging van terroristische activiteiten in het buitenland, met name de oprichting van Okhela als blanke vleugel van het dissidente ANC, hebben de ogen van de vrienden “in het moederland” geopend. De twijfel wordt opgeheven: “nu heb je het gedaan”, “nu kan niemand er meer omheen”, “nu heb je het voor jezelf zeker gemaakt / en daarmee voor ons”. Over die twijfel meldt Van den Bergh: “Aanvankelijk hadden de nogal schimmige berichten over het amateuristische karakter van [Breytenbachs] verzetswerk in Nederland […] ongeloof en onbegrip opgeroepen. De Zuid-Afrikaanse processen tegen Breytenbach in 1975 en 1977 veroorzaakten om die reden verlegenheid bij zowel Nederlandse als Zuid-Afrikaanse vrienden. […] Ontnuchtering was het gevolg maar in de meeste gevallen bleef verbondenheid overheersen” (2003: 352). Campert heeft deze ambivalente houding op een eenvoudige en indringende wijze vorm en taal gegeven in “Aan Breyten”.

In Theater, een bundel die naar verluidt “teleurgestelde reactie” ontlokte aan critici vanwege “overwegend zwakke gedichten in een weinig samenhang vertonende bundel” (Hageraats 1987: 12), en bij uitbreiding in het hele poëzieoeuvre van Campert staan wel meer opdrachtgedichten en in meerdere teksten duiken reminiscenties op aan vrienden, bewonderde schrijvers en (jazz)kunstenaars. Zo publiceerde Campert in 1986 een bundel met als titel Collega’s bestaande uit hommagegedichten aan respectievelijk Rivai Apin, Jules Deelder, Vasko Popa (met een gedicht vertegenwoordigd in aan breyten breytenbach), Jevgeni Jevtoesjenko, Bert Schierbeek, Jan Hanlo, Richard Brautigam, Marin Sorescu, Jorge Valls Arango, Gregory Corso en Hans Faverey. De volgende dichtbundel Rechterschoenen (1992) vangt dan weer aan met een gedicht “Aan de schilder Jean-Paul Franssens”. Et cetera. De bundelcompositie van Theater sluit af met het gedicht voor Breytenbach, de vierdelige cyclus “Voor Bert Schierbeek” en “Voor Deborah” (aan wie het dichtwerk ook is opgedragen). Behalve kapitalen en interpunctie (de emendatie van de dubbelpunt in regels 4 en 15, en de toevoeging van zinspunten in regels 12, 13 en 18) is er maar één woordvariant. Het bijvoeglijk naamwoord in “uit de rose klauwen van het bijbeldom” (aan breyten breytenbach en hernomen in het blad Gedicht, cf infra) is in Theater gewijzigd in “bleke”.

Het gedicht is door Wilfred Jonckheere in Van Mafeking tot Robbeneiland bestempeld als “waarschijnlijk een van de waardevolste van de reeks” (1999: 172). Hij beklemtoont “dat Campert het sterkste inlevingsvermogen heeft voor het lijden van de mededichter die de daad bij het woord gevoegd heeft en dit met gevangenisstraf moet bekopen” (173). Ik citeer de thematische, politiek-ideologische lezing van Jonckheere:

Hij [het lyrisch subject] ziet twee alternatieven voor de dichter: dat van “je leven lang elegant er doorheen zwijnen”, en het alternatief dat leidt tot een afrekening met anderen – de verachte opponenten ongetwijfeld – en “met jezelf”. Het tweede alternatief is dat van Breytenbach, die nu “in de roze klauwen van het bijbeldom” zit, van een regime en een beleid dat onder de schijn van christelijkheid gruwelijke dingen doet. Dat deze ervaring de dichter geestelijk zou aantasten en veranderen, staat voor Campert van tevoren vast: de “oude gedaante” zal verdwijnen, want de “vermomming”, de valse identiteit, die Breytenbach had aangenomen, is ontdekt. De zogenaamde spion is ontmaskerd. (1999: 173)

De dichters die bekend staan als de Vijftigers in Nederland onderhielden vriendschappelijke relaties met Breytenbach. Van den Bergh noteert daarover het volgende: “In de culturele wereld [jaren zestig en zeventig] waren de Vijftigers grondig doorgebroken. Zowel door hun eigen ervaringen in de Tweede Wereldoorlog – veel Vijftigers konden terugzien op betrokkenheid bij het verzet – als door hun vernieuwende kijk op taal en cultuur stonden zij zeer open voor geestverwant Breytenbach” (2003: 359).

Campert, redacteur van Gedicht

Het Breyten Breytenbach Comité, samensteller van de gestencilde brochure aan breyten breytenbach, verwijst naar de talrijke ontmoetingen met de schrijver/schilder in Rotterdam. De Zuid-Afrikaanse auteur kwam telkens met nieuwe plannen naar Nederland.

In de jaren tussen 1971 en 1975 was Breyten Breytenbach wel vaker onze gast. Dat was dan om een verdere uitbouw van Poetry met ons te bepraten. Of om met ons de mogelijkheden voor een internationaal tijdschrift voor poëzie te bespreken. Of om een tentoonstelling van zijn schilderijen en tekeningen voor te bereiden. En daarbij kwamen dan altijd weer die situaties ter sprake, die hem als schilder en dichter, als mens, hoog zaten. Hij sprak ons dan ook vaak over zijn land van herkomst: Zuid-Afrika.

Eén jaar voor de hier belichte antiapartheidsuitgave, of beter de steunbetuiging voor collega-schrijver Breytenbach, hebben de literaire paden van Campert en Breytenbach elkaar gekruist. Vanaf januari 1974 redigeerde Campert het driemaandelijkse periodiek Gedicht (1974–1976, 12 afleveringen), een uitgave in het fonds van De Bezige Bij. Het poëzietijdschrift “vertegenwoordigt geen stroming in de Nederlandse letteren, maar wil poëzie brengen van goede kwaliteit – of wat de redakteur daarvoor aanziet”. Naast het werk van vele Nederlandse en buitenlandse auteurs beantwoordt Breytenbachs poëzie klaarblijkelijk aan dat criterium. Meer nog, ik veronderstel een verband tussen de plannen van Breytenbach, “een internationaal tijdschrift voor poëzie” op te richten, en het concrete initiatief van Campert en De Bezige Bij. In juni 1974 (jaargang 1, nummer 3) nam Campert naast zes tekeningen de gedichten “Brief uit die vreemde aan slagter” (p 120-122) en “Dar es-salam: hawe van vrede” (p 123-124) van Breytenbach op. De “Brief” verscheen eerder in Skryt en “Dar es-salam” is door HC ten Berge als een van de in totaal negenentwintig gedichten van Breytenbach gepubliceerd in Raster (5 (1971) 3, p 349-350). Naast beide gedichten en de tekeningen zijn in dezelfde derde aflevering ook teksten opgenomen van Martin Mooij, voorzitter van Poetry International, en van een internationaal dichtersgezelschap bestaande uit Yehuda Amichaï, Arie Gelderblom, Guillevic, Abdoel Hadi, Jacques Hamelink, Zbigniew Herbert, Peter Huchel, Sjoerd Kuyper, Christopher Logue, Adrian Mitchel, Octavio Paz, Vasko Popa, WS Rendra, Edoardo Sanguineti, Bert Schierbeek, HC ten Berge (poëzie en essay), CB Vaandrager, Mário Cesariny de Vasconcelos en Wim de Vries. 1974: Dat is het jaar waarin Camperts populariteit aanzienlijk steeg met prozabundels als Op reis (samen met de tekenaar Willem Malsen) en Alle dagen feest. Drie jaar eerder is de bekende omnibus Campert Compleet met alle verhalen uitgegeven. In 1976, wanneer Alle bundels gedichten is verschenen, ontving hij de PC Hooftprijs voor zijn poëzie.

Vermeldenswaardig en ook wel geestig is de biografische noot die Breytenbach in de aflevering van Gedicht liet opnemen: “gebore, hopelik vir die laaste keer, 1937 [sic], Bonnievale, Suid-Afferka. Oorsee sedert 1960, verbete in Parijs sinds 1961. Getroud met Ngo Hoang Lien Yolande Marie (almar één persoon). Skilder. Digter” (p 132). Naar aanleiding van de eerste schilderijenexposities in Nederland (vanaf 1964) merkt Van den Bergh op dat respons op het werk “allerminst vanzelfsprekend [was]. In de jaren zestig had de schilder zijn leeftijd in de tentoonstellingsbrochure enkele jaren verhoogd in de hoop daardoor (nog) serieuzer te worden genomen” (2003: 348). Ook in Gedicht en dus als schrijver heeft Breytenbach die truc toegepast.

In het licht van deze gevalstudie is het van belang de prijs te vermelden die Breytenbach in december 1982 – tien jaar na de Lucy B en CW van der Hoogtprijs voor de bundel Lotus – in Den Haag namens de Jan Campert-Stichting ontving meteen na zijn vrijlating. In het archief van het Zuid-Afrikahuis is de laudatie bewaard die bij de plechtige gelegenheid in het Haagse stadhuis is uitgesproken. Erik van den Bergh stelt: “De Haagse burgemeester F Schols verwees bij de uitreiking van de literaire prijs nadrukkelijk naar de verzetsrol van Campert in de Tweede Wereldoorlog en maakte duidelijk dat de prijs vanuit dat perspectief werd toegekend. De zelden toegekende bijzondere prijs bedroeg negenduizend gulden, een bedrag dat beschikbaar was gekomen doordat Jan Wolkers de hem toegekende Huygensprijs had geweigerd” (2003: 346).

Over de literaire relaties tussen Remco Campert, zoon van Jan, en Breyten Breytenbach is behalve de hier vermelde bibliografische referenties weinig bekend. Van den Bergh stelt dat het “aan Breytenbach te danken [is] dat veel Nederlandse dichters en schrijvers meer zicht kregen op literair Afrika”, maar dat ook omgekeerd “het werk van Breytenbach […] de invloed [onderging] van zijn contacten met Nederland en Nederlandse kunstenaars” (2003: 357). Een paratekstuele blik op de verzamelbundels wijst dat ook uit, met motto’s ontleend aan het werk van of opdrachten voor Lucebert en Bert Schierbeek. Breytenbach heeft in een interview met Willem M Roggeman in De Vlaamse Gids (juni 1974) zijn verwantschap met en/of schatplichtigheid aan de “atonale” dichters van Vijftig onderstreept, vooral Kouwenaar, Lucebert en Vinkenoog (opgenomen in Willem M Roggeman, Beroepsgeheim. Gesprekken met schrijvers, p 217). Verder in het vraaggesprek drukt hij zich nogal ambigu uit over die zelfverklaarde invloed: “De Nederlandse Vijftigers hebben misschien onze dichters [in Zuid-Afrika] beïnvloed. De Nederlandse literatuur is echter over het algemeen te intimistisch voor ons” (1975: 239). En: “De generatie van Vijftig – dichters als Kouwenaar en Lucebert en Schierbeek – hebben een grote indruk op mijn jong gemoed gemaakt, en maken dit nog steeds al is mijn gemoed zwaarder en vetter geworden” (1975: 242-243). Hij noemt in datzelfde fragment vooral HC ten Berge en Rutger Kopland met wie hij goede contacten onderhoudt en wier werk hij bewondert.

Klanken zoals veren

In zoverre ik het kon nagaan, heeft Remco Campert nog een ander gedicht gecomponeerd dat op een (bibliografische) manier met Zuid-Afrika in verband kan worden gebracht. In de bloemlezing Klanke soos vere. Gedigte tussen Suid-Afrika en Nederland (1998), samengesteld door de vertaler Robert Dorsman en de Zuid-Afrikaanse ambassadeur in Nederland Carl Niehaus en aangeboden door de ambassade van Zuid-Afrika als nieuwjaarsgeschenk 1998–1999, staat van de hand van Campert de diptiek “Vijfletterwoord”. Later heeft de dichter de tekst gebundeld in Nieuwe herinneringen (2007, 2007² en 20083) en opgenomen in de verzamelaar Dichter (2009 [vierde druk], p 713-714). Campert heeft de tekst voor de eigen bundeluitgaven overigens ingrijpend gewijzigd. Ik presenteer tot besluit van deze verkennende bijdrage beide variante lezingen van “Vijfletterwoord” (resp 1998 en 2009). Uit de versies blijkt in hoeverre Campert ingreep in zijn gedichten.

1
Is het kunst?
wil hij weten

anders geniet hij niet
weet hij niet of het mooi is

en als het mooi is
of als hij het mooi vindt
wil dat dan zeggen
dat het kunst is

nou gewoon
ik vind het mooi
zegt hij
alsof hij zich daar
voor verontschuldigen moet

2

om het te maken
zijn er zoveel manieren
maar het eindigt
of je wilt of niet
op die ene manier
die alle andere uitsluit

dan pas zeg je
dat je het zo gewild hebt
en zegt geen ander
dat het kunst is
een woord van vijf letters
meer niet

het maaksel zelf
blijft onberoerd
zichzelf

(Campert 1998: 21)

1

Is het kunst
vraagt hij voorzichtig
anders weet hij niet
of hij genieten mag
als hij het mooi vindt
wil dat dan zeggen
dat het kunst is

ik kan het niet helpen
ik vind het mooi zegt hij
alsof hij er zich voor verontschuldigen moet
bij de kenner die zegt
dat het geen kunst is
maar als hij het mooi vindt
dan staat hem dat vrijdag zegt de kenner goedgunstig

2

Om het te maken
zijn er zo veel manieren
maar het eindigt
van plan of niet
op die ene manier
die alle andere uitsluit
dan pas weet je
dat je het zo wilde
en zegt een ander
dat het kunst is
vijfletterwoord
dat medeklinkt en klinkt

het maaksel zelf
weet niet dat het kunst is
soms voegt een duif
iets aan het standbeeld toe

(Campert 2009: 713-714)

Het gesprek tussen Breyten Breytenbach en Remco Campert, op zevenentachtigjarige leeftijd de laatste overlevende van de zogeheten Beweging van Vijftig, kan post factum in het Zuid-Afrikahuis misschien een licht werpen op de persoonlijke en poëticale verhouding.

Bronnen

Remco Campert, Dichter. De Bezige Bij, Amsterdam, 19951 en 20094.

Remco Campert, “Vijfletterwoord”, in: Klanke soos vere. Gedigte tussen Suid-Afrika en Nederland, Carl Niehaus en Robert Dorsman (red.), Ambassade van Suid-Afrika, Den Haag, 1998, p 21.

Jaap Goedegebuure, ““De weerklank wordt door de situatie bepaald”. Breyten Breytenbach in de spiegel van de Nederlandse kritiek”, in: Literatuur 1993, 4, p 217-222.

Koos Hageraats en Gaston Franssen, “Remco Campert”, in: Kritisch Lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur, Martinus Nijhoff uitgevers/Kluwer, Groningen/Mechelen, 1987/2003.

Wilfred Jonckheere, Van Mafeking tot Robbeneiland. Zuid-Afrika in de Nederlandse literatuur 1896-1996. Vantilt, Nijmegen, 1999.

Willem M. Roggeman, “Breyten Breytenbach”, in: Idem, Beroepsgeheim. Gesprekken met schrijvers, Nijgh & Van Ditmar, ’s-Gravenhage/Rotterdam, 1975, p 213-248.

Erik van den Bergh, “17 juni 1972. De Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach ontvangt de Van der Hoogtprijs”, in: Maaike Meijer en Rosemarie Buikema (red.), Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980, Sdu Uitgevers, Den Haag, 2003, p 345-360.

Voor deze bijdrage is gebruik gemaakt van de boeken- en tijdschriftcollecties in het Zuid-Afrikahuis (Amsterdam) en het Poëziecentrum (Gent).

http://www.zuidafrikahuis.nl/node/4126


 

Dinsdag 18 april 2017, 19.30  uur, avond rond Breyten Breytenbach

Unieke avond rond nieuwe poëzie Breyten Breytenbach mmv Remco Campert olv Mirjam van Hengel

Breyten Breytenbach (1939) is behalve eminent kunstenaar en essayist misschien wel eerst en vooral dichter. ‘Duidelijk de grootste Afrikaanse dichter van zijn generatie,’ schreef The New Yorker. Juist in dat genre was hij de laatste jaren ongewoon productief. Werd er precies  tien jaar geleden al een royale bloemlezing uit zijn gedichten tot dan toe (De windvanger) gepubliceerd, sindsdien verschenen in het Afrikaans alweer drie meesterlijke bundels.

Een rijke keuze hieruit is te vinden in De zingende hand, in meesterlijke vertaling door zijn vriend en oud-uitgever Laurens van Krevelen, en gepubliceerd  door Uitgeverij Podium.

Speciaal ter gelegenheid  van de verschijning van deze Nederlandse editie, bezoekt Breytenbach ons land. Hij zal enkele gedichten voorlezen, voor het Nederlands gesecondeerd door Laurens van Krevelen.  Daarna zal Breytenbach met niemand minder dan zijn literaire vriend Remco Campert in gesprek gaan over talloze parallellen in hun leven & werk.

Camperts biograaf en kenner  van de moderne poëzie, Mirjam van Hengel, leidt het gesprek tussen beide heren.

Na afloop van deze unieke ontmoeting zal het Zuid-Afrikahuis i.s.m. Breytenbachs  Nederlandse uitgever Podium een glas wijn schenken.

Plaats: Zuid-Afrikahuis,  Keizersgracht 141-C, Amsterdam
Datum: 18 april 2017
Reserveren: [email protected]
Toegang: €  20,-
Zaal open: 19.00 uur / aanvang 19.30 uur

  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top