Professor Paul de Keyser en Zuid-Afrikaanse dissertaties: Ernst van Heerden promoveert in Gent

  • 0

Het is bekend dat dankzij de bemiddeling van Lucas Malan de dichtbundels uit de privébibliotheek van de schrijver, criticus en academicus Ernst van Heerden (1916-1997) zijn terechtgekomen in het Poëziecentrum in Gent (https://versindaba.co.za/2014/10/02/54397/). Al eerder is beschreven dat Van Heerden, net als W.E.G. Louw, voor de Tweede Wereldoorlog zijn proefschrift aanvatte aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. In de vermelde bijdrage voor Versindaba schreef ik over het studieverblijf van Van Heerden ten huize van Lisette en Marcel de Backer in Gentbrugge (september 1951 tot januari 1953). Enkele jaren na de oorlog, in januari 1953, heeft Ernst van Heerden aan de toenmalige Rijksuniversiteit Gent (met als promotor de neerlandicus en Guido Gezellespecialist Prof Frank Baur) zijn dissertatie verdedigd met als titel Die digterlike beeld, met spesiale verwysing na die poësie van N.P. van Wyk Louw.

Ernst van Heerden

Dankzij archiefonderzoek aan de Universiteit Gent, meer bepaald in de nalatenschap van professor Paul (Pietje) de Keyser, is een document opgedoken waarin bijzonderheden staan over de promotie van Van Heerden. De toenmalige decaan prof M.E. Dumont liet De Keyser, lid van de beoordelingscommissie, weten dat de heer Ernst van Heerden op vrijdag 23 januari om 15 uur in de Academieraadzaal zijn doctoraat zou verdedigen “voor de wetenschappelijke graad van doctor in de Wijsbegeerte en Letteren (groep Germaanse Philologie)”.

Paul (Pietje) de Keyser

Toentertijd was het gebruikelijk dat een promovendus naast de dissertatie ook een reeks bijstellingen uitwerkte en voorlegde aan de promotiecommissie. Interessant zijn de zes stellingen die Van Heerden naar voren bracht. Ik citeer uit de brief van de decaan:

  1. Dr. F.E.J. Malherbe se uitspraak oor D.J. Opperman se epiese gedig Joernaal van Jorik, nl. “Opperman probeer om sin te gee aan die lelike, trouens sy simbool self is dikwels van die aard van ’n fetisj, met iets van die benouende nagmerrie-surrealisme van Achterberg” […] is nêrens uit die gedig te bewys nie.
  2. Volkome onverdedigbaar is Dr. G. Dekker se oordeel oor ’n Totiusdigbundel waar hy skryf: “Uit Donker Afrika getuig van die volgehoue krag, die verdieping en dikwels groter artistieke suiwerheid van Totius se latere kuns.” […]
  3. Dr. Rob. Antonissen se onderskeiding tussen wat hy noem die “zeggingsvers” en die “beeldingsvers” by N.P. Van Wyk Louw, is ongeoorloof. […]
  4. The following thesis of Rossell Hope Robbins is untenable: “The views on life we find in his (T.S. Eliot’s) poetry, with its restricted and limit[e]d imagery … Derive from an obvious hatred of people.”
  5. Of all South African poets who wrote in English, Roy Campbell was the most original innovator in the field of imagery.
  6. Engelse invloed op Afrikaans strek verder as woordeskat en sintaksis en het ook al die Afrikaanse woordaksent aangetas.

Het is niet bekend hoe de promotie is verlopen en welke stellingen Van Heerden uiteindelijk heeft verdedigd. Ik heb in bovenstaand citaat de bronvermeldingen weggelaten die de doctorandus bij de vier eerste stellingen heeft opgenomen. Mogelijk openbaart het universiteitsarchief binnenkort méér bronnen over het verloop van de doctoraatsverdediging.

In ieder geval behaalde Ernst van Heerden in januari 1953 aan mijn alma mater de titel van doctor in de Wijsbegeerte en Letteren. Tijdens zijn verblijf in Gent werkte Van Heerden met gedichten mee aan het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Er zijn foto’s gepubliceerd van zijn aanwezigheid bij de viering van Richard Minnes zestigste verjaardag in de Stadsbibliotheek van Gent en aansluitend de lunch in restaurant Britannia op het Sint-Baafsplein (2 december 1951). Over bijna anderhalf jaar in Van Heerdens Gentse verblijf, voorafgaand aan zijn academische aanstelling in Zuid-Afrika, zijn interessante bronnen beschikbaar. Bijzonder is dat hij aan de Witwatersrand-universiteit een opvolger werd van Abel Coetzee, de collega van examinator Paul de Keyser in Gent.

Paul de Keyser als Gents referent in Zuid-Afrikaanse promotiecommissies

De hoogleraar Paul de Keyser (1891-1966), expert op het gebied van het Middelnederlands en de Volkskunde, was een leerling van de bekende geleerde Willem de Vreese, die vanaf 1912 hoofd was van de Gentse universiteitsbibliotheek (https://nl.wikipedia.org/wiki/Paul_De_Keyser_(hoogleraar) en https://www.ugentmemorie.be/personen/de-vreese-willem-1869-1938).

Abel J. Coetzee

De Keyser was al sinds 1951, op verzoek van Abel J. Coetzee (Witwatersrand-universiteit, Johannesburg), betrokken bij de beoordeling van Zuid-Afrikaanse doctoraten. Zo noteerde ik op basis van het archiefmateriaal de volgende promovendi: D.J. Coetzee (Die Aanwending van Afrikaans in die Diens van die Suid-Afrikaanse Spoorweë, 1951), M.M. van den Heever (’n Stilisties-Grammatiese studie van die vernuwing van die Afrikaanse Prosa tussen die Jare 1900-1930, 1951), C.W. Hudson (Maatskaplike vorms aan die Kaap in die tydperk 1652 tot omstreeks 1795, 1952), M.S. du Buisson (’n Metafisies-religieuse Beskouing van die Mens-Godverhouding toegepas op die Afrikaanse poësie as uitdrukkingsbron daarvan, 1957), W.J.G. Loots (Die herkoms, ontwikkeling en verspreiding van die reisiesverhale, 1961) en A.J. Antonitis (Die Afrikaanse Kunskritiek in die Lig van de Estetiese, zonder jaar). Verder duikt de naam H.J. Schepers op (Kultuurbeeld van die Spoeldiamant in delwersgemeenskappe van Suid-Afrika, zonder jaar). Over dat laatste proefschrift zijn van de hand van De Keyser geen leesverslagen overgeleverd. Prof De Keyser genoot brede bekendheid als volkskundige. Hij schreef onder meer een beoordeling van Coetzees bundel Ons Volkslewe: Volkskundige Opstelle (Monument-reeks, Van Schaik, Pretoria, 1949). Hiervan is het handschrift bewaard gebleven.

De connecties tussen de Gentse universiteit en departementen in Zuid-Afrika, in dit geval Johannesburg, dateren van de jaren vijftig. Ook de taalkundige Edgar Blancquaert liet zich in met de Afrikaanse taalkunde. Het is altijd goed te weten wat voorgangers in de academische wereld in hun onderzoeksgebied hebben geëxploreerd. De geschiedenis leert dat er parallellen zijn in het wetenschappelijk aandachtsgebied tussen toen en nu, tussen Nederlands en Afrikaans.

Dank aan Marc Vermeulen, bestuurslid van de alumnivereniging Bond van Gentse Germanisten, die mij de documenten uit het universiteitsarchief heeft bezorgd.

  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top