Opera op de woeste golven van de politiek

  • 2

Titel: The La Traviata Affair – Opera in the age of apartheid
Auteur: Hilde Roos
Uitgever: Oakland, CA: University of California Press, 2018
ISBN 9780520299894

In het derde bedrijf van Verdi’s opera La Traviata is Violetta alleen in haar kamer en zingt ze de aria Addio del passato. Ze neemt afscheid van de dagen toen ze gelukkig was, veel vrienden had en Alfredo haar beminde. Nu is ze arm, ziek, verlaten door haar geliefde, en weet ze dat ze gaat sterven.

Zoals het Violetta vergaat in de opera van Giuseppe Verdi, vergaat het ook Eoan, de Kaapse cultuurorganisatie die in 1956 Verdi’s opera voor het eerst produceerde en in 1975, tien speelseizoenen later, een allerlaatste maal. Hoe groot de successen van het operagezelschap aanvankelijk ook waren, het ging hoe langer hoe minder op om bruine artiesten te laten optreden voor een overwegend wit publiek.

Hilde Roos, auteur van The La Traviata Affair – Opera in the age of apartheid, uitgegeven in de prestigieuze reeks Music of the African Diaspora van de University of California Press, is general manager van het Africa Open Institute for Music, Research and Innovation, Faculty of Arts and Social Sciences, Universiteit Stellenbosch. (Foto: Paula Fourie)

Hilde Roos merkt niet alleen de gelijkenis op tussen het noodlot van Violetta en de ondergang van het gezelschap. In haar rijk gedocumenteerde, sprankelende monografie The La Traviata Affair, uitgegeven onder auspiciën van de Roth Family Foundation, legt de auteur de wortels bloot van Eoan en brengt zij het verhaal van het zogeheten gekleurd operagezelschap dat niet opgewassen bleek tegen de absurde eisen van het apartheidsstelsel, een complex verhaal beladen met politieke compromissen en ontgoochelingen.

Het verhaal heeft Hilde Roos subliem gedestilleerd uit interviews en ruim honderd archiefdozen, die bijna veertig jaar onaangeraakt onder het stof hadden gelegen in de orkestbak van het Joseph Stone Auditorium. Uit archiefstukken blijkt dat het Eoan vanaf 1969 bijzonder moeilijk wordt gemaakt om nog te werken in het hartje van Kaapstad, het centrum van het theater- en muziekleven, en dat de groep in dat jaar moet uitwijken naar het Joseph Stone Auditorium in Athlone op de Cape Flats. Voor de bouw van het auditorium werd een donatie ontvangen van de Nederlandse Bernard van Leer Foundation.

Bouwstenen van een bewogen verleden veertig jaar onder het stof, maar nu beschikbaar in een rijk, toegankelijk archief, het Eoan Group Archive, onder het dak van de Universiteit Stellenbosch (Foto: Hilde Roos)

De Eerste Wereldoorlog was achter de rug; de Tweede Wereldoorlog was nog ver weg. Maar in dat interbellum was het fascisme al goed voelbaar in Europa. In die periode koos Helen Southern-Holt, een ruimdenkende Britse vrouw die het levend geworden bewijs was van het vooruitgangsstreven gepaard met blijvend ontzag voor de Victoriaanse waarden, het ruime sop en emigreerde ze naar Zuid-Afrika. District Six van Kaapstad was in die tijd een smeltkroes van immigranten, nationaliteiten, rassen en vooral van bittere ellende. In dat district richtte Southern-Holt in 1933 een humanitaire organisatie op, die aan de armoezaaiers een beter leven wilde geven en hun ook cultuur wilde bijbrengen. De organisatie spitste haar arbeidsterrein toe op sociaal werk voor jonge kinderen, bijvoorbeeld door kinderdagverblijven, en op het culturele vlak sprongen ballet- en literatuurklassen, toneelopvoeringen, kooroptredens en (pas veel later) opera in het oog.

Joseph S Manca, dirigent en artistiek directeur van Eoan, had het drama van Italiaanse opera in zijn bloed. Hij wilde dat zijn operagezelschap de absolute top zou bereiken maar hij raakte verbitterd, brak met Eoan en stierf in 1985 zonder dat Eoan-leden werden uitgenodigd op zijn begrafenis. (Foto: Eoan Group Archive)

De organisatie kreeg de naam Eoan mee. We Live to Serve werd het motto. Southern-Holt vertelt dat ze zat na te denken over een naam voor haar organisatie en het woord Eos viel haar te binnen – in de Griekse mythologie de naam van de godin van de dageraad – samen met de Engelse vertaling the dawn. “Zodoende noemde ik mijn organisatie Eoan,” zo zegt Southern-Holt, “om aan te geven dat bruinmense in zichzelf de dageraad kunnen teweegbrengen van een nieuwe culturele expansie en van een nieuw begrip van welzijn, fysiek en mentaal, voor hun ras.”

Southern-Holt had de teugels van haar liefdadigheids­organisatie, zonder binding met kerken, strak in handen. Ze trachtte uit het vaarwater te blijven van de politiek, hoewel dat op termijn onmogelijk bleek. Bij haar was die houding principieel; politiek was voor haar een vies woord. Ze manoeuvreerde Eoan door de gevaarlijke bochten die, sedert de Nasionale Party in 1948 aan de macht was gekomen, de organisatie steeds meer compromitteerden.

Inmiddels was Joseph Manca, die in Kaapstad was geboren uit Italiaanse ouders en een zwak had voor Italiaanse opera, betrokken geraakt bij Eoan. Hij fungeerde er sedert 1943 als koorleider, terwijl hij een betrekking als boekhouder bij het stadsbestuur van Kaapstad had en deze behield tot zijn pensionering in 1969. Manca had grootse plannen met Eoan. Gaandeweg kreeg hij zeer autoritaire trekjes, die hem, nu als dirigent en artistiek directeur, werden vergeven omdat hij zorgde voor een ware triomf. Een mirakel. Er werd geschiedenis geschreven.

In het kader van het allereerste All Coloured Arts Festival produceerde Manca met het gezelschap Verdi’s opera La Traviata, een opera in drie-bedrijven, die zijn première beleefde op 10 maart 1956 in Cape Town City Hall voor een duizendkoppig publiek. De kranten loofden het succes van het gezelschap in enorme koppen en riepen de zesentwintigjarige hoofdsopraan May Abrahamse, die de rol speelde van Violetta, uit tot shining star, tot heuse diva. Het overdonderend succes was nog opvallender, zo werd beklemtoond in de pers, omdat de volledige cast bestond uit muzikaal ongeletterde en professioneel niet-getrainde werkmensen van bescheiden afkomst uit de kleurlinggemeenskap die erin slaagden om opera te brengen op een hoog artistiek niveau, in echt Italiaanse stijl en gezongen in het Italiaans.

May Abrahamse en Gordon Jephtas tijdens hun recital in het Nico Malan Theater op 3 maart 1979 (Foto: Amanda Botha)

Maar er kwamen vlug barsten in het succes van Eoan. Nog vooraleer internationale roem werd bereikt, moest het operagezelschap zich conformeren aan het apartheidsstelsel, wat in zich de kiem droeg van de teloorgang van het muzikaal talent en uiteindelijk de ondergang van het gezelschap. In 1958 had Helen Southern-Holt er genoeg van. Met de inzet van al haar krachten had ze Eoan gedurende vijfentwintig jaar geleid, maar ze verliet Kaapstad definitief en emigreerde naar Canada. Ze stierf in 1972.

Tegen de achtergrond van de grote politiek, die in het midden van de jaren 1970 bijzonder turbulent was voor wie naar de townships waren verbannen, kreeg Eoan het enorm te verduren. Bruinmense konden aanvankelijk nog ontsnappen aan de pasjeswetten, maar de politieke druk die op andere manieren op de leden van het operagezelschap werd uitgeoefend zette hen met de rug tegen de muur.

Zij hadden volle zalen getrokken in de Cape Town City Hall, maar ineens mocht deze locatie niet meer worden gebruikt. Zij moesten afzonderlijke optredens inrichten voor witte en niet-witte toeschouwers. Optredens voor een gemengd publiek waren dus in de regel niet toegelaten, maar wanneer de overheid dat toch een enkele keer door de vingers zag, moesten er aparte ingangen worden voorzien en gold er een strikte scheiding in de zaal. Het ging van kwaad naar erger. Het meest ergerlijke was de jaarlijkse knieval die moest worden gemaakt voor het Department of Coloured Affairs om subsidies te krijgen. In bepaalde jaren, wanneer er genoeg tickets waren verkocht, zag Eoan er zelfs vanaf om subsidies aan te vragen. Daarna kon Eoan niet eens meer subsidies aanvragen, want de groep bestond toch alleen maar uit onbezoldigde amateurs en er moest een wettelijke Eoan Group Trust worden samengesteld, een andere uiting van witte voogdij.

Maar het ging niet alleen om treiterij door het apartheidsbewind. Het gezelschap had zich uitdrukkelijk toegelegd op het Europees cultureel formaat van de opera, zonder enige ruimte te laten voor inheemse muziek. Het voelde natuurlijk bijna exotisch aan, wanneer Europese opera’s, operettes en concerten werden vertolkt door bruine zangers en muzikanten, maar dat gevoel ebde vlug weg. Het viel sterk op dat de opvoeringen van het gezelschap steeds minder werden bijgewoond door de kleurlinggemeenskap, uit gebrek aan interesse of omdat het gezelschap zich te zeer neerlegde bij wat de witte broodheren van de leiding en de spelers verwachtten.

Aan het einde van de jaren 1970 werd de artistieke en sociale isolatie van het gezelschap compleet. In 1977 nam Joseph Manca onaangekondigd ontslag na gedurende bijna vijfendertig jaar zijn ziel uit zijn lijf te hebben gewerkt voor Eoan. Hij werd opgevolgd door Gordon Jephtas, die in Europa en de VS een carrière had uitgebouwd als operarepetitor en zangcoach. Jephtas haakte na minder dan vijf maanden af. Het operagezelschap was op sterven na dood.

Zoals blijkt uit het verhaal van Eoan zijn politieke bemoeienissen noodlottig voor artistieke excellentie. Hoe noodlottig ze ook mogen zijn, telkens weer wordt aangetoond dat kwaliteit bovendrijft en hardnekkig is. De vertolking van Verdi’s La Traviata in 1956 was inderdaad het startsein voor een uplifting van de leden van het gezelschap en – om de woorden van Helen Southern-Holt te gebruiken – misschien wel het startsein van “een nieuwe culturele expansie” van de kleurlinggemeenskap. De opera bleef op het programma van Eoan staan tot hij een laatste maal werd opgevoerd in 1975.

In die lange periode bewees Eoan zich met vele andere opera’s, operettes, muzikale komedies, gekostumeerde drama’s en balletten, die het hart wonnen van veel Zuid-Afrikanen in moeilijke tijden. De spelers en de directie werd het vuur na aan de schenen gelegd, maar toch slaagden ze erin om in 1960 een uitzonderlijk succesrijke tournée te maken door het hele land; in 1965 waagden ze zich nog eens aan hetzelfde, maar toen liep niet alles van een leien dakje.

Joseph Manca werd in 1963 gehuldigd aan de Universiteit van Kaapstad en werd er eredoctor in muziek voor diensten bewezen aan de kleurlinggemeenskap. In 1968 kreeg hij het gedaan dat Eoan ook eens een lichter genre zou brengen. De Broadway-musical South Pacific werd de sensatie van het jaar, met tien opvoeringen voor het witte publiek in het Alhambra Theater in het centrum van Kaapstad, zeven opvoeringen voor het niet-witte publiek in het Luxurama Theater in Wynberg, en daarna nog eens opnieuw vijf optredens voor het witte publiek in Alhambra. Tegen het einde van het seizoen hadden vijftigduizend Capetonians genoten van de musical. Dat was ongekend in de muziekscène van Kaapstad.

Manca had Eoan wel eens vergeleken met de Scala van Milaan. Sommigen hadden hem dat kwalijk genomen. Maar hij was toch blijven dromen van Italiaanse opera en van Sicilië, waar zijn ouders vandaan kwamen. Opera was zijn leven geworden. Omdat hij zijn operagezelschap naar de absolute top wilde leiden en daarbij de kleurlinggemeenskap cultureel wilde opheffen, heeft hij vele concessies gedaan aan het apartheidsbewind in Zuid-Afrika. Na eerst nog een druk binnenlands programma te hebben afgewerkt, vertrok Manca met zijn gezelschap op 28 juli 1975 naar Londen voor een eerste en tevens laatste internationaal optreden. Toen hij een maand later terugkeerde, kwam er een abrupt eind aan zijn droom.

Voor Hilde Roos is het schrijven van haar intimistisch boek als het begrijpen hoe het is om in schoenen te staan die niet de hare zijn. De monografie gaat in wezen over de identiteit van de so-called coloureds in Zuid-Afrika. De auteur is oprecht. Haar blik op de opkomst, aanpassing en ondergang van het operagezelschap is de blik van een witte Zuid-Afrikaan die is opgegroeid tijdens de apartheid. Uit haar liefde voor de muziek en haar geduldige omgang met archiefstukken komt een schilderachtig, pittoresk en soms tragisch verhaal tevoorschijn, enorm boeiend geschreven, boordevol eerlijk inlevingsvermogen.

Dat verhaal staat mijlenver weg van zware betogen over apartheid. Het gaat over de dagelijkse momenten van geluk en ongeluk in het leven van een groep bruinmense, van wie de vrijheid werd beknot, die zelfs werden verbannen vanuit het culturele centrum van Kaapstad naar de Cape Flats, maar die onstuitbaar waren in hun culturele emancipatie. Tegen de praktische hindernissen en de donkere wolken van de politiek in de jaren tachtig van vorige eeuw was het Eoan-operagezelschap echter niet opgewassen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Als een feniks is Eoan uit haar as herrezen en in 2018 is de vijfentachtigste verjaardag gevierd van de organisatie, voortaan de Eoan Group Theatre Company, die in 1933 door Helen Southern-Holt werd opgericht om de kleurlinggemeenskap in de West-Kaap vooruit te helpen.

Met dank aan Eoan Group Archive (foto Manca, o.c., blz. 25), Eoan Group Theatre Company (Eoan-logo), Amanda Botha (foto Abrahamse en Jephtas, o.c., blz. 175), Cloete Breytenbach (cover boek), Paula Fourie (foto auteur) en Abeedah Medell (Eoan-logo) voor hun fotografisch materiaal.

Zie ook: Eoan History Project, Eoan – Our Story. Johannesburg, Fourthwall Books, 2013. Over de lancering van dit boek op 31/1/2013 in de Cape Town City Hall verscheen van de hand van Claudia Jansen van Rensburg een artikel op LitNet:

The EOAN Group and bringing the story to life

Voor informatie over het bruisende theater-, dans- en balletleven dat de getransformeerde Eoan Group Theatre Company sedert 2011 en meer bepaald nu in 2020 creëert onder de bezielende leiding van directeur en choreografe Abeedah Medell, met de deuren wijd open voor alle cultuurgemeenschappen in de West-Kaap, raadplege men: https://www.facebook.com/EGTC2011/

  • 2

Kommentaar

  • Avatar
    Dingie van Rensburg

    Ek het die bydrae van Herman Meulemans – Opera op de woeste golven van de politiek – in NeerlandiNet tweemaal aandagtig deurgelees: eers om die algemene strekking te snap; daarna om die fynere detail en nuanse van sy waardering na waarde te skat. Inderdaad is dit ’n uitstekende samevatting van die outeur, Hilde Roos, naamlik The La Traviata Affair – Opera in the age of apartheid (2018) wat handel oor die opkoms, problematiek, dood en uiteindelik die herrysing van Eoan, die Kaapse kultuurorganisatie (met die motto: We Live to Serve) wat in 1956 Verdi se opera vir die eerste keer op die planke bring, maar helaas, tien speelseisoene later, in 1975, dit vir die laaste keer mog opvoer – deur die destydse regime so verorden.
    Die historiese detail van Herman se resensie – en die opkikkering daarvan met sprekende fotomateriaal – is werklik prysenswaardig. Veral belig Meulemans (deur middel van Hilde Roos) die maniere, die vlakke en die skerper kante van apartheid, en veraltot waar en in watter mate hierdie beleidsrigting die destydse kleurlingwereld – hier nog spesifieker die wereld van die kunste – binnegedring, deursypel en verguis het, en uiteindelik die werkbaarheid daarvan en alle passie daarvoor gesmoor het – te midde van en ongeag die vele suksesse wat die opvoerings vir twee dekades behaal het.
    Hilde Roos se weergawe van die gebeure in monografieformaat – en so ook Meulemans se bydrae tot die verdere toeligting en waardering van hierdie outeur se werk – word tegelyk ’n gefokusde gevallestudie van ’n komplekse sosiale struktuur – in wese ’n struktuur wat strukturele geweld pleeg – wat op sombere wyse uitspeel op daardie bevolkingsgroep (en gemeenskappe) wat aldeur na die periferie van die samelewing verdring is en daar gedwonge gemaak staan is. Selfs binne die domein van die kunste, ongeag die bewese aanvraag, gewildheid en applous van lede uit die “heersersklas” (die “wit elite” van daardie regime) in die groter anderskleurige Kaapstad–omgewing,
    In feite is hierdie gevallestudie nogmaals ’n treffende illustrasie van die versmorende aard en afbrekende gevolge van apartheid wat niks en niemand ontsien het nie, en wat in die proses vele prysenswaardige prestasies versmoor het. In hierdie geval selfs nie om ’n welmenende en entoesiasties groep se bydrae tot ’n weerlose aspek van die brose kunste nie. Daarmee is Eoan, uit die kader van die Suid–Afrikaanse kunste verdring. Saam daarmee is ook daardie welmenende en inspirerende weldoeners van die groep gedemotiveer en uiteindelik laat sneuwel het (Helen Southern–Holt en Joseph S Manca). Alles moes te alle tye apart geskied, alles wat nie wit was nie, moes “buite die wit–sfeer” gehou en verdring word. Uiteindelik moes die Eoan–operageselskap ook die handdoek ingooi; die Groep was gewoon nie opgewasse teen die aanslae (diskriminasie, inperkings, verdringing en versmoring) van die apartheidspolitiek en die implimenteerders van hierdie struktureel–geweldadige beleid nie.
    Maar let daarop: Meulemans is nie venynig, kwetsend enuitgesproke veroordelend in sy vertolking van Hilde Roos se relaas oor die tragiese verloop van hierdie drama wat oor etlike dekades binne die apartheidsregime afgespeel het nie – al is dit hier slegs maar soos die regime binne een bevolkingsgroep, binne een dimensie, op ’n klein aspek binne daardie dimensie van daardie bevolkingsgroep se kultuurlewedaardeur uitgespeel het: dit geraak, ontmagtig en verneder het. Trouens, meld Meulemans: “Dat verhaal staat mijlenver weg van zware betogen over apartheid”. Inteendeel, Meulemans bly koelkop; hy laat na my oordeel die hoofklem en kernboodskap van die verhaal – volgens Meulemans se perspektiefstelling daarvan – veel eerder in hoopsetel, soos vergestalt in die herrysing en die herlewing van die groep. Miskien ’n uitdruklike poging om iets wat eens waarde gehad het eventueel nie vir altyd gesmoor of onderdruk kan word nie; veral nie as daardie onderdrukking en versmoring binne die konteks van ’n abnormale samelewingsopset of politieke regime plaasvind nie. Eerder dat dit wel kan herrys en herlewe, en in hierdie geval duidelik besig in om herrys, te herlewe en eertyds verlore grond te herwin. Die hedendaagse afloop van hierdie sombere verhaal blyk dan inderdaad gelukkig te wees: “Als een feniks is Eoan uit haar as herrezen en in 2018 is de vijfentachtigste verjaardag gevierd van de organisatie, voortaan de Eoan Group Theatre Company.”
    Behalwe vir die boek en sy verhaal het Meulemans ook matelose waardering die die outeur, in besonder haar benadering tot die tema van die verhaal wat sy vertel; hy skryf: “Voor Hilde Roos is het schrijven van haar intimistisch boek als het begrijpen hoe het is om in schoenen te staan die niet de hare zijn ... Uit haar liefde voor de muziek en haar geduldige omgang met archiefstukken komt een schilderachtig, pittoresk en soms tragisch verhaal tevoorschijn, enorm boeiend geschreven, boordevol eerlijk inlevingsvermogen ... De auteur is oprecht. Haar blik op de opkomst, aanpassing en ondergang van het operagezelschap is de blik van een witte Zuid–Afrikaan die is opgegroeid tijdens de apartheid.”
    Lees gerus Herman Meulemans se waardering in NederlandiNet, en lees ook Hilde Roos in die oorspronklike, The La Traviata Affair – Opera in the age of apartheid (2018).

  • Avatar
    Bernard Grant

    Intrigerend zuid-afrikaans relaas, waarmee ultiem mens’ [voortdurende] drang naar kunst & schoonheid gelukkiglijk [tijdelijke] politieke agendas overleeft & overtreft. Dank hiervoor.

  • Reageer

    Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


     

    Top