Multiple Identity. Meertaligheid van het "ik"

  • 0

Poëziedebuut van Canadees-Zuid-Afrikaanse Klara du Plessis

Af en toe doet een poëzielezer een ontdekking, zeker als hij het eigen taal- en cultuurgebied verlaat.

De Engelstalige literaire scene in Canada verwelkomde in 2018 de debuutbundel Ekke van Klara du Plessis.

De schrijfster is geboren in Montreal, groeide op in Bloemfontein en is momenteel als promovenda aangesteld aan de Concordia Universiteit van Montreal.

Dit jaar ontving het boek een nominatie voor de Gerald Lampert Award (shortlist) en kreeg de Pat Lowther Award.

Du Plessis wordt in de Canadese literatuurkritiek onthaald als een verrassend dichterstalent (“one of our country’s finest new voices”, Sachiko Murakami op het achterplat).

De bundel kreeg ook in Zuid-Afrika een gunstige ontvangst. Zij was de literaire revelatie op het Vrystaat Kunstefees in Bloemfontein (1-7 juli 2019). Over mijn leeservaring maakte ik enkele notities.

Ekke is een tweetalige bundel in Afrikaans en Engels. Of beter gesteld: de teksten zijn overwegend in Engels geschreven en worden doorspekt met Afrikaanse woorden en uitdrukkingen. De meertalige  constructie is niet artificieel of pedant maar een existentieel statement.

De vermenging van beide schrijftalen is het onvervreemdbaar expressiemiddel voor het sprekende personage, dat zich in de bundeltitel al meteen bekend stelt als “ekke”. Dat is Afrikaans voor ik, met enige nadruk. In een toelichting vergelijkt de auteur “ekke” met de Franse uitdrukking “moi, je”.

In een vraaggesprek met James Lindsay in het Canadese online periodiek Open Book stelt Du Plessis: “on some metalinguistic level I see English and Afrikaans as existing on a single plane, for me. I learned both languages simultaneously as a baby and this coexistence is deeply solidified in my way of thinking; it’s very common for me to constantly switch codes while thinking; it’s not that I’m translating myself, but rather that my mind flows seamlessly from one language to the other and back within a single thought. So in the poems in Ekke I try to capture this process or to experiment with its poetic potential”. 

Achter in de bundel is een rubriek met vertalingen opgenomen ten behoeve van de Engelstalige lezer in Canada. De toelichtingen fungeren tegelijk als  sturende paratekst en hebben een eigen creatieve positie in de bundelarchitectuur.

Hier en daar treedt de auteur op het voorplan die Tydskrif niet alleen vertaalt als magazine, maar ook toelicht dat de woordsamenstelling evengoed letterlijk als “time-writing” mag worden gelezen.

Naast de annotaties is er de coverafbeelding: een beeldend werk, getiteld Vela Sikubhekile van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Nandipha Mntambo. De sculptuur laat een star en in de tijd stilgezet omhulsel (een japon) zien waarin het lichaam ontbreekt.

Niet alleen de fraaie boekesthetische vormgeving refereert aan een Zuid-Afrikaanse context. De teksten, gegroepeerd in acht afdelingen en formeel ongelijksoortig (afwisselend prozagedichten en korte teksten in de vrije versvorm), reflecteren over taal.

Talrijk zijn de zinnen waarin het sprekend subject zich beraadt over woorden en hun betekenissen. Zoals in “words kiss but never uncover any form of hidden meaning / unless that meaning is the meaning in that moment / momentum / memento mori”. Het memento mori krijgt een iconische afbeelding op het boekomslag. Of speelser geformuleerd, in een vermenging van Afrikaans en Engels:

Names > words
Word
is to become
word is woord
which is not a word in
English
Engels
angels
>< 

De woordassociaties over de grenzen van talen heen, in casu de talen van de schrijver en tegelijk talen die genealogische verwantschap vertonen, zijn niet zomaar een intellectuele Spielerei. Ze werpen een licht op de existentiële thematiek.

De “ekke” in de titel, die zich zo nadrukkelijk als spreker manifesteert, drukt zich uit in de talen die zij zo intelligent en creatief verbindt. In de titelafdeling begint een tekst nadrukkelijk met “I speak languages”.

Taal en identiteit zijn onlosmakelijk verbonden. We zijn de taal die we spreken. Dat wordt in de volgende regels expliciet gemaakt: “Lyftaal / Skryftaal”. In de bundel spreekt een persona die zich niet inwisselbaar in haar beide lijftalen, letterlijk met lichamelijke en sensitieve metaforen (ogen, mond), uitdrukt.

De reeks gedichten die in de bundelcompositie bijzonder is, refereert aan het barokke schilderij Las Meninas (1656) van Diego Velàzquez. Zoals bekend heeft Picasso in 1957-1958 in meer dan vijftig werken de jonge hofdames op het doek ontkleed (of gedeconstrueerd). Alle attributen die van de meisjes in de tijd gestolde engelachtige wezens maken, worden in Picasso’s lezing weggenomen.

De tekst van Du Plessis, in totaal vijf prozaïsche gedichten, is grotendeels ekphrastisch opgevat: in meanderende regels beschrijft zij Las Meninas als “a whole lot of little girls. / The central girl is a conduit, / natural light falls like a blessing directly on her temples / or emanates naturally from her, angelic / she does not stand she hovers”. De particuliere lectuur van Velàzquezs meesterwerk loopt door in Picasso’s striptease van het origineel: “Picasso undresses the Velàzquez girls”. Door weg te nemen en te vervreemden, desacraliseert de schilder het oorspronkelijke tafereel.

Op haar beurt doet de dichter Du Plessis iets vergelijkbaars. Zij kwam op het spoor van deze mediale combinatie Velàzquez-Picasso in een gedicht van Anne Sexton, overigens in een weinig opmerkelijke passage: “A poet writes essays about Eros / describes the blind spot / into which the girls are staring / staring down the gaze”.

Op die manier ontstaat een verrassende intermediale relatie tussen het gedicht van Sexton, de schilderijen van de Spaanse zeventiende- en twintigste-eeuwse meesters en het dichterlijke werk van Du Plessis. Herhaaldelijk wordt benadrukt dat de ontrafelende werkmethode van Picasso de eigen visie heeft gestuurd. In de openingsregels is te lezen:

My writing is like
male nudes in the Western tradition of art
soft, even the strongest most beautiful man.
I lie / recline
my writing is erect
in the smallest possible way
taut but not extended suggestive
then discontinued to the potential reach of the image.

In het discontinue proces van kijken en beeldvorming eist ook de verteller een rol op. Zij besluit met het zelf-reflecterend couplet: “I intended this poem to be way more brute force it’s fine art let / the décolletage breathe deeper than the neckline”.

Op die manier sluit ze weer aan bij de openingsregels waarin de westerse fine arts al een eerste keer op de korrel worden genomen. Niet alleen in meertaligheid maar ook aan de hand van (een dialoog met) kunstobjecten, elders komt Rembrandts De Nachtwacht langs, tracht het sprekend ik (“ekke”) zichzelf uit te drukken.

Deze idiosyncratische queeste in de poëzie, bewust van de per definitie talige identiteit, resulteert in een bundel die zich op het grensvlak van twee literaire landschappen bevindt. Bij uitstek is dit een transnationaal poëzie-experiment.

Niet zozeer geografische ruimten (Canada en Zuid-Afrika) versmelten, ofschoon in de cyclus “Hunter-Gatherer Criminals” referenties aan Zuid-Afrika opduiken: “a nation to officiate one language toe leven” en “This rainbow nation / favouring the monochrome colour scheme / of black, white, and at most, brown”. Het zijn de talen waarin de verteller zich onmiskenbaar manifesteert.

Door te opteren voor een grillige vormgeving – veeleer een mengvorm van proza en poëzie, hier en daar een essayistische passage en een aforisme – vertaalt de “ekke” zich in uiteenlopende tekstsoorten. Het ik is tenslotte ook een woord waarvan de betekenis niet vastligt.

In haar vormentaal verzet deze schrijfster zich tegen het statische van de spiegel waarin zij kijkt. De beweeglijkheid zit zelfs vervat in het palindroom dat “ekke” is.

Het woord gaat heen en weer en verliest zichzelf niet uit het oog.   

  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top