Gentse intreerede Louise Viljoen in het teken van "waagmoed"

  • 1

Ze had het zichzelf makkelijk kunnen maken door slechts historische voorbeelden aan te halen. Maar Louise Viljoen gebruikte haar inaugurele oratie als leerstoelhouder in Gent om het overzeese publiek kennis te laten maken met een generatie van jonge Afrikaanse dichters.

Tegelijkertijd zocht ze de grenzen op van het concept “mineure literatuur”. Zo kwam het werk van deze jonge dichters uit een klein taalgebied in een mondiaal perspectief te staan.

Louise Viljoen

Op woensdag 16 oktober hield Louise Viljoen, hoogleraar Afrikaanse en Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Stellenbosch, haar intreerede als nieuwe bekleder van de leerstoel Zuid-Afrika: talen, literaturen, cultuur en maatschappij aan het Gents centrum voor het Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika van de Universiteit Gent.

Viljoen is de derde leerstoelhouder sinds de leerstoel in 2017 in het leven werd geroepen; Hein Willemse (2017) en Wannie Carstens (2018) gingen haar voor.

De Gentse leerstoel is ingesteld in navolging van het voorbeeld van de bijzondere leerstoel Zuid-Afrikaanse letterkunde, cultuur en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, die sinds 2017 wordt bekleed door Margriet van der Waal.

Anders dan in Amsterdam geldt de benoeming in Gent slechts voor één semester, waarbij de colleges van de bezoekende hoogleraar in het najaar geconcentreerd zijn. Voorafgaand van Viljoens oratie kondigde Yves T’Sjoen, de initiatiefnemer van de Gentse leerstoel, aan dat er nu ook plannen zijn voor een leerstoel Nederlands: culturele diversiteit en meertaligheid aan een Zuid-Afrikaanse universiteit, zodat er “tweerichtingsverkeer” kan ontstaan.

Kleine literatuur

Viljoens intreerede was getiteld “Afrikaans en die idee van ’n klein letterkunde”. De term “klein letterkunde” (“mineure literatuur”) ontleent Viljoen onder meer aan het werk van Deleuze en Guattari en Pascale Casanova. Zo’n mineure literatuur is een literatuur gericht op een klein taalgebied en een beperkte lezersmarkt, vaak in een meertalige omgeving.

.............

“Tegelijkertijd zocht ze de grenzen op van het concept ‘mineure literatuur’. Zo kwam het werk van deze jonge dichters uit een klein taalgebied in een mondiaal perspectief te staan.”

.............

Kenmerken van een mineure literatuur zijn een politieke dimensie, het belang dat aan taal gehecht wordt en de verhouding tot de wereldliteratuur, een verhouding die beweegt tussen de polen assimilatie en differentiatie tegenover de literaturen van grotere en meer invloedrijke taalgebieden.

Viljoen geeft de voorkeur aan de benaming “kleine letterkunde”, omdat het woord “mineur” een beeld van minderwaardigheid zou kunnen oproepen. Ze gebruikt het concept “kleine literatuur” om nieuw licht op de Afrikaanse literatuur te werpen en om vanuit het perspectief van zo’n kleine literatuur kritische vragen te stellen over de machtige republiek van de wereldliteratuur.

Volgens Viljoen overschat Pascale Casanova in La republique mondiale des lettres het belang van de grote literaturen; “kleine literaturen functioneren heel gemakkelijk zónder de goedkeuring van die grote centrums”, zegt zij.

Het ligt voor de hand om de vroegste Afrikaanse literatuur, vanaf 1905, als “kleine literatuur” te beschouwen. Bij dichters als Jan F.E. Celliers en Totius zijn de politieke dimensie (Afrikaner-nationalisme, de focus op taal [de afwijzing van het angliceringsbeleid na de Zuid-Afrikaanse Oorlog, 1899-1902, maar óók de vestiging van het Afrikaans als een zelfstandige taal, los van het Nederlands]) en het aansluiten bij en afstand nemen van de Nederlandse en Engelse literaire voorbeelden, duidelijk te herkennen.

Jonge dichters

Wat Viljoens lezing verrassend maakte, is dat ze niet bleef steken in deze evidente historische toepassing van het concept “kleine literatuur”. Zij wilde het begrip juist toepassen op het werk van dichters die de afgelopen decade zijn gedebuteerd; jonge dichters als Ronelda Kamfer, Jolyn Phillips, Pieter Odendaal, Bibi Slippers en Loftus Marais.

Als voorbeelden van de politieke dimensie verwees Viljoen naar de gedichten “Sterk staan vir platskoene” van Kamfer (met de regel “my ma’le het gefight vir survival”), “In praise of protest” van Odendaal, de cyclus “Handgebare: die tye en swye van Thamsanqa Jantjies” van Slippers en “Terug op die plaas” van Marais.

Net als bij de vroege Afrikaanse literatuur is er ook in de poëzie van de jonge dichters van nu sprake van een politieke dimensie, maar anders dan in 1905 is er bij de millennials sprake van uiteenlopende onderwerpen.

.............

“Kenmerken van een mineure literatuur zijn een politieke dimensie, het belang dat aan taal gehecht wordt en de verhouding tot de wereldliteratuur, een verhouding die beweegt tussen de polen assimilatie en differentiatie tegenover de literaturen van grotere en meer invloedrijke taalgebieden.”

.............

De focus op taal kwam onder meer voor in de gedichten “Vergewe my maar ek is Afrikaans” van Kamfer en “Diglossie” van Phillips. Deze gedichten getuigen van een moeizame verhouding met het standaard-Afrikaans, als de taal van blanke patriarchale machthebbers.

Terwijl Kamfer een plaats voor zichzelf als bruine vrouw binnen deze taalgroep opeist, brengt Phillips het naast elkaar bestaan van verschillende variëteiten van het Afrikaans aan het licht.

Met betrekking tot assimilatie en differentiatie noemt Viljoen onder meer Slippers’ gebruik van elementen van de globale popcultuur, maar daartegenover ook het streven naar creativiteit en oorspronkelijkheid bij de behandelde dichters.

Waagmoed

Aansluitend bij de Baskische schrijver Kirmen Uribe – zelf een vertegenwoordiger van een kleine literatuur – prijst Viljoen de “waagmoed” van deze jonge dichters, die er doelbewust voor gekozen hebben te publiceren in een kleine taal.

Hun thematiek kan gegrond zijn in het lokale, maar tegelijk ook aansluiten bij globale ontwikkelingen. Het domein van een kleine literatuur biedt hun de ruimte voor bescheidenheid, vloeibaarheid, mobiliteit en openheid naar de wereld.

Al te veel respect voor de wereldliteratuur kan beperkend zijn, zegt Viljoen in navolging van Uribe. Werken binnen een kleine literatuur geeft meer vrijheid.

“De waagmoed die Uribe als een eigenschap van kleine literaturen onderscheidt, is mijns inziens ook merkbaar in het werk van de jonge dichters naar wie ik heb verwezen”, aldus Viljoen, die daarmee zelf een opmerkelijke strijdbaarheid aan de dag legt.

Lees ook 

5e Gents Colloquium over het Afrikaans: fascinerend en toekomstgericht colloquium over het Afrikaans en Zuid-Afrikaanse literatuur

Leerstoel Zuid-Afrika aan de Universiteit Gent

Lees ook op Voertaal

Suid-Afrikaanse letterkundes en transnasionale bande: in gesprek met Louise Viljoen

Leerstoel Zuid-Afrika (UGent) en het Gents centrum voor het Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika: Nieuwsbrief (januari-mei 2018)

Nederlandse leerstoel vir universiteite in Suid-Afrika beoog

Geanimeerd 5e Colloquium voor het Afrikaans in Gent

  • 1

Kommentaar

  • Reageer

    Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


     

    Top