Breytens aanzet voor een Nederlands literair debuut

  • 0

Bijna zestig jaar geleden, in december 1960, maakte Breyten Breytenbach zich klaar voor een Nederlands poëziedebuut. Twaalf jaar vóór de uitgave van Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf, in het fonds van Meulenhoff, ondernam de schrijver een poging om gedichten aan te bieden aan een Nederlands avant-gardetijdschrift. Het is opmerkelijk en nog niet eerder beschreven in de Breytenbachstudie.

Hij exposeerde al begin zestig in Arnhem en Amsterdam (Galerie Espace). Dat Breytenbach toen ook een literaire entree in Nederland in gedachten had, is niet beschreven. Pas in 1964 maakt hij zijn Zuid-Afrikaans literair debuut met Katastrofes en Die ysterkoei moet sweet.

De vondst van twee brieven in het Literatuurmuseum (Den Haag) documenteren de poging van Breytenbach zijn lyriek al heel vroeg te presenteren in Nederland. In 1944 is Podium opgericht, een periodiek dat na de toetreding in de redactie van Gerrit Borgers en na de fusie met Columbus en het redacteurschap van Paul Rodenko zich ontwikkelde tot het blad van de Nederlandse literaire avant-garde.

Door toedoen van Rodenko ging het tijdschrift functioneren als een platform voor de atonale dichtkunst, naast bladen als Reflex en Cobra. In 1949-1951, zo vermeldt Siem Bakker in het overzicht Literaire tijdschriften van 1885 tot heden (Synthese, Amsterdam, 1985), “vond een intocht van de Vijftigers plaats”. Na toetreding van S. Vestdijk, korte tijd W.F. Hermans, werd Podium geproclameerd als tijdschrift van de avant-garde in Nederland. Bakker vermeldt publicaties van Hans Andreus, Remco Campert, Jan G. Elburg, Gerrit Kouwenaar en Sybren Polet.

In 1957, na veel redactioneel gehakketak en uitgeverijperikelen, kwam het periodiek onder de redactie van C. Buddingh’ en Simon Vinkenoog. Bijzonder is dat avant-gardedichters en vroege nieuw-realisten elkaar ontmoetten in het tijdschrift. In Podium zijn debatten gevoerd over surrealisme en jazz, politieke (marxistische) en maatschappelijke kwesties, expressionisme en dadaïsme. Podium zal in de jaren zestig het pad plaveien voor het modernistische eenmanstijdschrift Raster (opgericht in 1967 door H.C. ten Berge), het belangrijkste experimentele periodiek in de Lage Landen na de Tweede Wereldoorlog.

Breyten Breytenbach (Foto: Rob Croes / Anefo [CC0], via Wikimedia Commons)

In de marge van Podium is Podium 58 opgericht, “de titel van een nieuw tijdschrift” (Bakker). Redactieleden zijn aanvankelijk Gerrit Kouwenaar, Harry Mulisch, Sybren Polet, Jan Rabie en Jan Walravens. Naast Nederlanders een Zuid-Afrikaan en een Vlaming, destijds oprichter van Tijd en Mens (1949-1955). Hier komt de negentienjarige Breyten Breytenbach om de hoek kijken. Er hadden toen geregeld redactiewisselingen plaats in Podium en er bestond aanzienlijk veel aandacht voor politieke debatten en polemische essayistiek (Henk Hofland). De Vijftigers waren nauw betrokken bij Podium 58. De lijst met redacteurs, tot 1969 wanneer Podium wordt opgeheven, is indrukwekkend.

Opmerkelijk voor een Zuid-Afrikaans lezerspubliek is het redacteurschap van Jan Rabie, voorloper van de Sestigers met in de jaren vijftig surrealistische, groteske en politiek getinte verhalen (zoals in Een-en-twintig). In de biografie van J.C. Kannemeyer over Rabie wordt echter geen melding gemaakt van diens redactionele betrokkenheid bij Podium. Het eerste briefje van de jonge Breyten is gericht aan “die redakteur”. Ik presenteer hier een transcriptie. De brief is door de redactie beantwoord op 16 december 1960.

C/O American Express co. inc. 
6 Haymarket 
London S.W.1. 
England

Die Redakteur, 
Podium 
Waarde Heer,

Ek lê aan u 3 gedigte vir publikasie voor. Om hulle eers [van] Suid-Afrika na Jan Rabie te stuur is vermorsing van tyd en posgeld. Dus direk.

As u hulle afkeur sou ek graag die kopieë terug wou hê, maar hoe kan ek vir die terugsending betaal? As hulle verskyn, dan asseblief onder die naam breyten. Hulle is genommer in orde van keuse. Ek hoop om van u te hoor.

die uwe 
Breyten.

Klaarblijkelijk heeft de redactie de poëzie-inzending afgewezen. Er is mij voorlopig geen retourbrief bekend namens Podium. Evenmin is duidelijk over welke gedichten het hier gaat. Bijna twee jaar later, in september 1962, waagde de schrijver een volgende poging. In een typoscript, geadresseerd: American Express, 11 rue Scribe, Parijs IX, schreef Breytenbach:

Waarde Heer,

Ingeslote vind u 2 gedigte wat, ek hoop, as geskik vir publikasie beskou kan word. Ek stuur u ook ’n gefrankeerde koevert vir terugsending in geval u die werk afkeur.

Groete uit Parys,
Die Uwe;
Breyten

Breyten voegde in handschrift toe: “Ek is jammer dat ek dié gedigte direk aan jou moet stuur, maar dis alleen omdat ek nie ‘Podium’ se publikasie-adres het nie. Groete aan die familie”. Mogelijk is de persoonlijke notitie gericht aan Jan Rabie, maar dit is niet zeker.

Jan Rabie (Foto: Onbekend - Die Afrikaanse Letterkunde in Beeld via Wikimedia Commons)

Hoe dan ook is van Breytenbach geen gedicht gepubliceerd in Podium, ondanks beide pogingen. Dat de Zuid-Afrikaanse connectie (het redacteurschap van Rabie) de jonge schrijver daartoe aanzette, spreekt voor zich. Breytenbach beschouwde Jan Rabie als voorloper, een literaire mentor. J.C. Kannemeyer schrijft in Jan Rabie. Prosapionier en Politieke Padwyser (Tafelberg, Kaapstad, 2004) over de vriendschap tussen Rabie en Breytenbach.

Het was een poging om zich via het Afrikaans toegang te verschaffen tot de Nederlandse experimenteel-literaire scene. Over de criteria die aanleiding gaven tot een afwijzing en de rol van redacteur Jan Rabie, naast Kouwenaar, Mulisch, Polet, Walravens en de redacteurs die de volgende jaren (na 1958) toetraden, bestaat onduidelijkheid. Het archief van Podium geeft voorlopig geen uitsluitsel.

In ieder geval kan worden gesteld dat, twaalf jaar vóór zijn officiële Nederlandse debuut in de Poetry International Series (Meulenhoff, Amsterdam), Breytenbach toegang zocht tot de Nederlandse letteren. De contacten met Lucebert en Bert Schierbeek zijn mogelijk al in die vroege jaren zestig ontstaan. De volgende jaren zal Breytenbach nauwer aansluiting vinden bij de groep experimentele schrijvers en de Nederlandse literatuur. Hij ontving twee literaire prijzen: in 1968 de Reina Prinsen Geerligsprijs (Die huis van die dowe) en in 1972 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (Lotus). Erik van den Berg en Jaap Goedegebuure schreven erover.

In de gevangenisjaren (1975-1982), nadat Breytenbach al enkele keren had opgetreden op voorstel van Poetry International (Rotterdam) en een verhalenbundel (“korter prosasketse”, J.C. Kannemeyer) is verschenen bij Van Gennep (De boom achter de maan, vertaling Adriaan van Dis en Jan Louter, 1973), namen de voormalige Vijftigers het initiatief gelegenheidsbundels samen te stellen. Bij Meulenhoff verschenen in de gevangenisjaren omvangrijke verzamelingen met de oorspronkelijke gedichtenbundels, samengesteld door Laurens van Krevelen en Adriaan van Dis (die ook een lijst met woordverklaringen samenstelde).

In aan breyten breytenbach (1975) en Vingermaan (1980) staan hommagegedichten van Campert, Kouwenaar, Lucebert, Ten Berge e.a., gericht aan de Zuid-Afrikaanse collega-dichter. Over de vriendschapsbanden met onder anderen Campert, Lucebert en Schierbeek heb ik elders gepubliceerd.

Met dank aan Bertram Mourits en het Literatuurmuseum (Den Haag). 
Prins Albert, 12 januari 2020.

  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top