Week van de Afrikaanse Roman, Antwerpen, 25 september 2019: baden in meertaligheid is de beste manier om te leren lezen

  • 0

De Week van de Afrikaanse Roman draait op volle toeren. Op 25 september kwam de karavaan van spraakmakende Zuid-Afrikaanse woordkunstenaars langs in het superdiverse Antwerpen. Pieter Odendaal, Karin Brynard, Valda Jansen, Eben Venter en het duo Frazer en Deniel Barry bekoorden er het ruim opgekomen publiek door de klanken en het ritme van de rijke Afrikaanse taal, die niet langer op zichzelf staat maar veel invloeden van buiten ondervindt. De vakgroep Nederlands van de Universiteit Antwerpen omarmde het Antwerpse luik van de Week van de Afrikaanse Roman geestdriftig.

Pieter Odendaal nog even in Zuid-Afrika voor hij afreist naar Nederland voor de Week van de Afrikaanse Roman. In de Tuin van digters, Breytenbach Sentrum, Wellington, ontvangt hij de Ingrid Jonker-prijs voor Afrikaanse Poëzie uit handen van Simone Garcia Marques, dochter van Ingrid Jonker, op 14 september 2019 –  Foto: Gerrit Rautenbach

Pieter Odendaal is dichter, vertaler, uitgever, producent en directeur van InZync Poetry, een organisatie die zich toelegt op de uitbreiding van meertalige poëzieplatforms in Stellenbosch en Kaapstad. Hij studeerde Duurzame Ontwikkeling en doet nu aan de Queensland University of Technology in Brisbane PhD-onderzoek over spoken word als een manier om tolerantie in sociaal-ecologische systemen te bevorderen. Kris Humbeeck, die het avondprogramma modereert, noemt het onderzoek van Pieter “een poëtische proeve van ecokritiek”. In 2018 verscheen bij Tafelberg zijn dichtbundel Asof geen berge ooit hier gewoon het nie, die onlangs werd bekroond met de Ingrid Jonker-prijs voor Afrikaanse Poëzie. De grootste verdienste van de dichter is volgens één van de drie juryleden van de fel begeerde prijs “die oorspronklike, verbeeldingryke en vernuftige wyse waarop hy die huidige Suid-Afrikaanse samelewing in ’n toestand van ‘op-weg-wees’ uitbeeld”.

De creatief-eigenzinnige wijze waarop Odendaal vorm geeft aan slam poetry sessions, waarbij poëten in discussie gaan met zeer uiteenlopende, vaak meertalige audiences over zeer prangende vraagstukken, zoals herverdeling van grond, waterschaarste, klimaatverstoring en aantasting van het milieu, en talen soms fusies aangaan met elkaar maar soms ook tegen elkaar worden uitgespeeld, is van de dichter volop the people’s poet aan het maken in Zuid-Afrika.

Voor eerstejaarsstudenten is het altijd moeilijk om te kiezen tussen taal-, literatuur- en vertaalwetenschap. Pieter Odendaal helpt hen daarbij in het allereerste college Babel van het nieuwe academiejaar aan de Universiteit Antwerpen. Frazer Barry, zanger, kletsrymer en multi-instrumentalist, en percussionist Deniel Barry doen er nog een schepje bovenop.

Tijdens de Antwerpse avond in de Week van de Afrikaanse Roman vertellen Valda Jansen, Eben Venter, Pieter Odendaal en Karin Brynard gemoedelijk en openhartig over hun schrijfkunst. Kris Humbeeck, Universiteit Antwerpen, legt hen op de rooster. Hij doet dat op een manier waarop de schrijvers diep in hun ziel laten kijken en hijzelf spontaan problemen van het schrijverschap en de Zuid-Afrikaanse samenleving te berde brengt.

Voor het ruim opgekomen publiek, waaronder veel afgestudeerden van de UA-opleiding Nederlands, is het alsof zij nog eventjes hun vakantie kunnen voortzetten door hun gedachten te verplaatsen naar de charme van de mensen, de natuurpracht, het weidse landschap en het zinnenprikkelend kosmopolitisme in Zuid-Afrika.

Kris Humbeeck dankt hartelijk het Zuid-Afrikahuis, Amsterdam, dat de Week van de Afrikaanse Roman puik heeft georganiseerd, en in het bijzonder Ingrid Glorie, die om gezondheidsredenen jammer genoeg niet aanwezig kan zijn. 

Pieter Odendaal, Deniel en Frazer Barry vatten in de Meerminne post voor het stadsgedicht uit 2005, UtopiA, van duizendpoot Ramsey Nasr. Het gedicht verwijst naar het wereldberoemde boek van Thomas More over een ideale wereld, dat opent met de hoofdpersoon staande aan de grote poort van de Antwerpse kathedraal.

Frazer Barry is de frontman van de klipkoprock-band Tribal Echo. Op de vraag van Kris Humbeeck wat klipkoprock wel mag betekenen, verwijst Frazer naar de harde koppen die Zuid-Afrikanen hebben. Het genre is een mengelmoes van homegrown Zuid-Afrikaanse muziek, Khoikhoi, samen met de eenvoud van de cirkeldans, ook geestelijke liederen die stammen uit de tijd van de Hollandse en Britse overheersing, liederen waarin het slaven- en boerenverleden gevoelig maar soms ook keihard wordt geëvoceerd.

Samen met zijn vrouw Deniel brengt Frazer getoonzette gedichten van Zuid-Afrika’s iconische dichter Adam Small ten gehore die door merg en been gaan.

Pieter Odendaal, die volop aan het uitgroeien is tot people’s poet in Zuid-Afrika, richt zijn blik naar de wolken boven het Museum aan de Stroom, het MAS, in Antwerpen. “Asof geen berge ooit hier gewoon het nie”. Geldt dat ook voor de wolken die boven Antwerpen met zijn 166 verschillende vreemde nationaliteiten drijven?

Vlnr Eben Venter, Karin Brynard, Pieter Odendaal en Valda Jansen, zachtaardig aan de tand gevoeld door prof. Kris Humbeeck, Universiteit Antwerpen, in Het Brantijser

Valda Jansen is auteur van fijnbesnaarde gedichten die in meerdere bloemlezingen zijn opgenomen en van haar intieme debuutroman Hy kom met die skoenlappers, in 2016 verschenen bij Human & Rousseau. In haar werk staat het verlangen centraal om het traumatiserende verleden van de Anglo-Boerenoorlog, de Tweede Wereldoorlog en het apartheidsstelsel zo goed mogelijk te verwerken. Voor haar heeft ieder van ons een eigen story te vertellen. Het is van het grootste belang dat door literaire fictie maar ook door journalistiek deze stories worden samengevoegd tot een groter geheel, dat bevrijdend werkt voor ons allen en ons in het reine brengt met angsten uit het verleden.

Haar debuutroman heeft veel weg van een klassieke opera waarin het liefdesverhaal uitloopt op de onafwendbare dood van een van de geliefden. Tijdens haar inleefreis in 1996 naar wat toen al niet meer de DDR was, ontmoet de auteur in het universiteitsstadje Jena een man die zij Anders noemt. Tussen beiden springt een vonk over. Zij beleven er een mooie tijd, vol hartstocht en dromen voor de toekomst. Maar eenmaal terug thuis in Johannesburg neemt voor Valda de sleur de overhand. Huisje, tuintje, kind doen haar wegdraaien van haar onmogelijke liefde in Duitsland. De hunkering naar Anders is zo groot dat zij de man uit Johannesburg, waarover buiten dat niets meer te zeggen valt, verlaat en samen met haar kind verhuist naar Kaapstad. In Strand, nabij Kaapstad, heeft ze haar kinderjaren doorgebracht. Dan borrelen de herinneringen op aan haar autoritaire vader (als soldaat bossies teruggekeerd van de grens), bezige moeder en vijf broers in volle apartheidstijd, en aan hun dun gezaaid geluk. Dat Anders ondertussen in Duitsland is overleden aan kanker en dat ze zijn liefdesbrieven nooit heeft beantwoord en zijn woorden heeft weggeborgen, gooit haar leven totaal overhoop. Doordat zij voortdurend haar blik heeft afgewend van hem, en zijn uitgezaaide kanker hem uiteindelijk heeft geveld, is Anders zoals Eurydice tot tweemaal toe gestorven.

Zin uit de roman waarover je niet uitgepraat raakt:

Wanneer ek op my kwesbaarste voel, is dit asof skoenlappers vergader.

Eben Venter is auteur van zeven veelgeprezen romans en twee verhalenbundels. In 1986, toen de noodtoestand in Zuid-Afrika werd afgekondigd, emigreerde hij naar Australië om er een nieuw leven uit te bouwen en met volle teugen van de vrijheid te genieten. Zijn goed draaiend macrobiotisch café in Melbourne gaf hem ook de ruimte om te schrijven. “Heb je je vrijheid zo goed gebruikt dat je je leven helemaal wilde leiden in de Australische cultuur en wilde je wellicht ook Afrikaans als taal voor je romans verruilen voor het Engels?”, zo vraagt Kris Humbeeck zich af. “Nee, hoegenaamd niet,” is het antwoord van Eben. “Ik heb er bewust voor gekozen om het Afrikaans bij te houden. Maar nu na zo lang in Australië te hebben geleefd, heb ik het toch voor het eerst aangedurfd om mijn nieuwe boek in het Engels te schrijven en vervolgens zelf te vertalen in het Afrikaans.”

Dat nieuwe boek met de verrassende titel Groen soos die hemel daarbo, in 2017 verschenen bij Tafelberg, doet erg Grieks aan. De structuur van het boek doet me erg denken aan het orakel van Delphi. In bijna ieder hoofdstuk staat Simon, de homo om wie alles draait, eerst ostentatief stil bij een van zijn seksavonturen om zich vervolgens, in het tweede deel van het hoofdstuk, te richten tot Spiteri, zijn therapeute. Met haar gaat hij telkens in gesprek over hoe hij zijn wild seksueel leven kan bemeesteren en ’n afgewerkte mens te wees ten spyte daarvan.

Maar het Griekse beperkt zich niet tot dit vormelement. In ieder gesprek verwijst Dr. Spiteri naar Michel Foucault, die het Griekse denken over seksualiteit weer modieus heeft gemaakt. Centraal daarbij staat de uitnodiging van de Oude Grieken om te experimenteren en bereid te zijn om als experiment te dienen. Groen soos die hemel daarbo is een uitdagend boek, dat uitermate expliciet is in de beschrijving van seksuele praktijken. Het is bovendien eigentijds en mondiaal. Simon bereist de hele wereld. Zijn avonturen brengen hem naar Bali, Istanbul, Melbourne, Nieuw-Zuid-Wales, Tokio, de Berkeheide in Nederland, een Kaapse voorstad, een tent aan de Zuid-Afrikaanse Wildekus en het aftreeoord van zijn ma aan de Ooskus. Dit is maar het topje van de ijsberg, want ik lees dat Simon er een journaal op nahoudt waarin al minstens honderdeneen beurten staan opgetekend.

Op het einde van het boek verneemt de lezer waar de cryptische titel van het boek vandaan komt. Meertaligheid is bij de titelkeuze belangrijk, want de auteur speelt leentjebuur bij de Bantoetaal Xhosa, die geen woord heeft voor blauw. Groen soos die hemel daarbo is wellicht de vreemdste manier om naar blauw te verwijzen, maar het is juist hetzelfde als met seks, want dat begrip is ook niet te vatten met woorden en je kan er nooit helemaal je vinger op leggen.

Passus uit de roman waarover je eindeloos kan blijven nadenken:

Simon: “Dit was die wonderlikste jare van my lewe. Dis waar ek gebore is, waarmee ek in die wêreld gekom het. Begryp jy?”

Spiteri: “Daardie lieflike plek, bron van jou lewe, het verskuif. Dit is nou elders, dit het nou iets anders geword.”

Karin Brynard schrijft misdaadfictie, een genre dat in Zuid-Afrika maar ook internationaal veel bijval oogst. Haar romans zijn zeer spannend, tot op het bloedstollende af. Kan het zijn dat, wegens de hoge criminaliteit, in Zuid-Afrika de ideale voedingsbodem wordt gevonden voor zulke romans, wat het beeld van een onherroepelijk in criminaliteit wegzinkende natie weer versterkt? Kris Humbeeck vraagt het zich af. Karin Brynard zit met een dilemma. Misdaadromans moeten vooral entertainment, ontspanning, en zeker geen realistische reflectie op het slecht functioneren van de samenleving bieden. De lezer moet de kriebels krijgen van de spanning. Die vereiste is absoluut nummer één. Misdaadromans moeten pageturners zijn. Maar tegelijkertijd zijn de misdaadverhalen geënt op maatschappelijke wantoestanden die Zuid-Afrika tot in de diepste vezels tekenen. Volgens Karin is het verschrikkelijk moeilijk om als schrijver te balanceren op die flinterdunne scheidingslijn tussen vermaak enerzijds en het authentiek en waardig overbrengen van de probleemsituatie anderzijds.

Met de ingewikkelde plot van haar roman Moord op Huilwater – in het Nederlands verschenen bij Ailantus in 2011, schitterend vertaald door Riet de Jong-Goossens – stapelen de intriges zich op en slaat je hoofd op hol, tot Wieks Voges, vroeger geschiedenisjuf, nu bevlogen curator van het dorpsmuseum, de puzzel van het grondbezit van de Griekwa’s begint te ontcijferen. Pas dan wordt er een tipje van de sluier opgelicht, maar dan heb je al driehonderd bladzijden gelezen van het bijna vijfhonderd bladzijden tellende boek. Op sensationele wijze slaagt de auteur erin om de lezer te doen beseffen dat sociale relaties tussen mensen altijd complex zijn. Wanneer je teruggaat naar de vroege jaren 1700, wordt alles nog veel complexer. De auteur brengt historische feiten met heel veel kleuren tot leven. Zij geeft de lezer het gevoel van erbij te horen toen het zaad ontkiemde van de dubbele moord op Huilwater, maar zeker ook bij de huiveringwekkende scène van de moord zelf.

Alles in de roman draait rond de drieëndertigjarige Freddie Swarts, die haar intrek heeft genomen in de boerderij van haar overleden vader op Huilwater, veertig kilometer van Upington, in de Noord-Kaap, om naar hartenlust te kunnen schilderen. Zij is niet aan haar proefstuk, want in Johannesburg heeft zij al een knappe expositie achter de rug en er wordt een nieuwe voorbereid. Zij wordt op handen gedragen door Nelmari Viljoen, die haar promoot in de kunstwereld maar ook verschrikkelijk dominant is en opduikt in allerlei louche onroerend goed-zaken. De kunstenares wordt samen met haar vierjarig pleegkind Klara gruwelijk vermoord en vanaf dat ogenblik raakt de hele plaatselijke gemeenschap in rep en roer en moet de schuldige worden gevonden van de plaasmoord. Geweld, brandstichtingen, overvallen, veediefstallen, misdaadsyndicaten, boze geesten, het mantisschilderij en zelfs de gewapende tussenkomst van het leger volgen elkaar ijlings op. Het zijn de elementen van een enorm spannende plot, waarin verdachtmakingen kriskras door elkaar flitsen.

De auteur laat vooral zeer ostentatief zien hoe innig verbonden met de ziel van de Zuid-Afrikaanse mensen, grondkwesties en grondeisen zijn. Freddie Swarts was een dappere vrouw, die alleen goed wilde doen. Zij droomde ervan om haar “bruin” dochtertje Klara een goede toekomst te geven. Om ook haar voorman Dam de Kok, “een gewone Kalahari-Boesman”, de gelegenheid te geven een stap vooruit te komen in het leven. Om, daar waar ze kon, hulp te bieden wanneer Griekwa-afstammelingen hun grondeisen hard wilden maken. En om de grote jongens die het voor het grof geld doen, buiten spel te zetten.

De volgende vier zinnetjes uit de roman spreken boekdelen:

Inspecteur Beeslaar: “De wereld zit vol opgefokte lui. En ze zijn niet echt allemaal arm en zwart en hebben niet allemaal honger. Soms zijn ze wit en mooi en rijk. Maar in hun kop gaat het op dezelfde manier tekeer.”

Moord op Huilwater is al een oud boek, zo hoor ik zeggen, op LitNet al tien jaar geleden besproken door Izak de Vries. Dat klopt. Maar op onderstaande foto toont Karin Brynard trots haar nieuwste boek Tuisland, in het Afrikaans uitgegeven door Penguin in 2016. Dat heb je nu bij de Week van de Afrikaanse Roman altijd. Je denkt dat je bijgelezen bent. Maar de schrijver in kwestie zit al in andere sferen. Het is geen verwijt. Het is het levende bewijs dat de Afrikaanse literatuur en haar vertalingen veld winnen. Bovendien bewijst het Antwerpse optreden van de dichter, schrijvers en muzikanten in het kader van de Week van de Afrikaanse Roman overduidelijk dat al deze kunstenaars meertaligheid immens koesteren en daadwerkelijk gebruiken om met hun meerstemmig publiek nog duidelijker te converseren.

Eben Venter, Valda Jansen en Karin Brynard beoefenen verschillende genres die aantonen hoe rijk gedifferentieerd en maatschappelijk relevant de Afrikaanse literatuur is in de eenentwintigste eeuw.

Met dank aan Francois Lötter, Breytenbach Sentrum, Wellington; Prof. Kris Humbeeck en Valerie Rousseau, Universiteit Antwerpen

  • Foto Pieter Odendaal en Simone Garcia Marques: Gerrit Rautenbach
  • Tekst en andere foto’s: Herman Meulemans

 

 

_______

 

  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top