Op Vrydag 19 September 2014 was in Amsterdam die afskop van die eerste Week van de Afrikaanse roman. Die geleentheid is bygewoon deur meer as 200 belangstellendes. Ingrid Glorie, koördinator van de Week en redakteur van Maandblad Zuid-Afrika, het die openingslesing gehou.
Om te beginnen wil ik u in vogelvlucht een overzicht geven van de geschiedenis van de Afrikaanse literatuur. Omdat sommige Nederlanders nog steeds vragen hebben over de rol van het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur tijdens de apartheidsjaren, zal ik daarbij vooral kijken naar kwesties als diversiteit en engagement. Vervolgens zal ik proberen om de belangrijkste trends in de Afrikaanse literatuur sinds 1990 aan te stippen. Hopelijk krijgt u daardoor voldoende achtergrond om de schrijvers die u vanavond zult ontmoeten en de onderwerpen die besproken worden, enigszins te plaatsen. Tot slot wil ik enkele opmerkingen maken over de opzet van de Week van de Afrikaanse roman.
Literatuur als wegbereider
De Afrikaanse literatuur is een relatief jonge literatuur. Terwijl we de Nederlandse literatuur kunnen terugvoeren op het bekende "Hebban olla vogala ..." uit de elfde eeuw, wordt ervan uitgegaan dat de Afrikaanse literatuur pas echt begint met het gedicht "Winternag" van Eugène Marais uit 1905.
De Afrikaanse literatuur heeft zich ontwikkeld uit Nederlandse geschriften die in Zuid-Afrika zijn ontstaan. Gaandeweg sluipen er steeds meer Afrikaanse zinnetjes in die koloniale Nederlandse reisverslagen, dagboeken, toneelstukjes en politieke pamfletten. De eerste zelfstandige teksten in het Afrikaans zijn echter in een heel andere context ontstaan, namelijk als vertalingen van de Koran, opgetekend in Arabisch schrift! Er zijn aanwijzingen dat dit soort teksten al vanaf 1840 door moslimleiders in de Bo-Kaap werd gebruikt.
In 1875 constateerde een groep Afrikaners uit het dorpje Paarl dat de taal die ze om zich heen hoorden, al lang geen "Hoog-Hollands" meer was, en dat er dus een nieuwe taal was ontstaan, het Afrikaans. Aanvankelijk ging het ze vooral om een Afrikaanse bijbelvertaling voor de kleurlingbevolking die op het land en in de keukens werkte. Het Afrikaans werd beschouwd als "kombuistaal", de taal die in de keuken werd gesproken, een taal met lage status dus. Maar al snel moest men toegeven dat veel Afrikaners het Hoog-Hollands dat dominee zondags op de kansel sprak, eigenlijk ook niet meer konden volgen. Zo begonnen in Paarl de eerste Afrikaanse kranten en boeken te verschijnen.
Tussen 1899 en 1902 vond de Tweede Anglo-Boerenoorlog plaats, of liever: de Zuid-Afrikaanse Oorlog, want inmiddels weten we dat het niet alleen een strijd was tussen Boer en Brit, maar dat ook andere bevolkingsgroepen door deze oorlog werden geraakt. Door deze oorlog waren de Afrikaners uit de Kaapkolonie in het zuiden en die uit de Oranje-Vrijstaat en Transvaal in het noorden zich ervan bewust geworden dat ze één volk vormden, verbonden door een gemeenschappelijke taal, geschiedenis en godsdienst. Dit leidde tot een doelbewust project om één verbeelde gemeenschap te creëren, waarbij de literatuur een belangrijke rol speelde. Sommige schrijvers werkten hier vol overtuiging aan mee. Anderen, zoals Marais en Leipoldt, hadden meer liberale opvattingen. Maar in het proces van canonvorming werden afwijkende geluiden stelselmatig onderdrukt en teksten die het nationalisme ondersteunden, juist naar voren geschoven. Pas sinds de jaren ’80 worden allerlei interessante teksten die jarenlang buiten de canon zijn gehouden, onder meer van vroege niet-blanke schrijvers en vrouwelijke auteurs, opnieuw ontdekt.

In de jaren dertig stond er een nieuwe, modernistische generatie dichters op, waartoe ook Elisabeth Eybers behoorde. De poëzie werd meer individualistisch, reflecteerde meer het bewustzijn van de grote stad dan van het platteland en sloot meer aan bij de Europese literatuur. NP van Wyk Louw, de leider van deze Digters van Dertig, bepleitte in zijn essays het "open gesprek" en "lojale verset", dus kritiek vanuit eigen gelederen. Hiermee had hij een vormende invloed op schrijvers en denkers na hem. Maar in zijn loyaliteit lag ook het probleem, want ondanks zijn ’verligte’ stellingname was Van Wyk Louw zelf niet in staat om de rassenpolitiek van zijn tijd af te wijzen.
Dat gebeurde wél in de jaren zestig, toen jonge schrijvers als Breyten Breytenbach en André Brink in Parijs het existentialisme leerden kennen en getuige waren van de studentenopstand van 1968. De Sestigers waren in de eerste plaats literaire vernieuwers, die het experiment opzochten en taboes doorbraken, met name op het gebied van seksualiteit en godsdienst. In Europa leerden ze echter ook met andere ogen naar de apartheidspolitiek in hun eigen land kijken. Bij iemand als Brink leidde dat tot een sterk engagement, maar misschien ook tot verenging in zijn onderwerpskeuze. Hoewel er zeker tegenvoorbeelden te noemen zijn, verloor de literatuur veel van zijn vrijblijvendheid. In de jaren ’70 en ’80 voelden Afrikaanse schrijvers zich vaak verplicht om de misstanden van hun tijd op haast journalistieke wijze te documenteren.
Voor veel Afrikaners vormden de beelden van de Soweto-opstand – toen scholieren in de townships in opstand kwamen tegen het Afrikaans als verplichte onderwijstaal en honderden kinderen door politiekogels werden gedood – hét moment waarop ze begonnen te twijfelen aan de apartheid. Maar ook de geëngageerde Afrikaanse literatuur van de jaren ’70 en ’80 heeft bijgedragen aan die bewustwording, samen met de protestmuziek van zangers als Johannes Kerkorrel en Koos Kombuis, waar Irma Joubert in haar roman Tolbos uitgebreid over schrijft. Literatuur en muziek droegen bij aan een nieuw geestelijk klimaat onder Afrikaners, dat – naast allerlei andere factoren – nodig was om het einde van de apartheid en de overgang naar een nieuw, democratisch Zuid-Afrika mogelijk te maken.

Trends sinds de jaren ’90
Met de politieke omwenteling verdween voor Afrikaanse schrijvers de dwang om tégen de apartheid te schrijven. In de jaren negentig zie je dan ook een verbreding van thema’s én de opkomst van stemmen die in het verleden minder vaak werden gehoord. Denk aan de opkomst van vrouwelijke auteurs als Marita van der Vyver, Marlene van Niekerk en Riana Scheepers; en van een homoseksuele schrijver als Koos Prinsloo.
Nieuw was ook de opkomst van zogenaamde bruine auteurs als Kirby van der Merwe en de in het Nederlands vertaalde EKM Dido en AHM Scholtz. Tijdens de apartheid kozen bruine schrijvers vaak voor het Engels, omdat ze het Afrikaans als taal van de onderdrukker beschouwden. Na 1990 voelden ze zich vrij om in hun moedertaal te schrijven, waarin ze zich toch het meest vloeiend en het meest beeldend konden uiten. Ze verrijkten de Afrikaanse literatuur met verhalen over de bruine Afrikaanssprekende gemeenschap en voor het eerst – op een vroege uitzondering als Adam Small na – konden bruine lezers hún wereld ook in de Afrikaanse literatuur herkennen. Twee recente romanschrijvers die hier interessant zijn, zijn Simon Bruinders, onlangs gedebuteerd met een romanover de gedwongen verhuizingen onder de Groepsgebiedenwet, en Bettina Wyngaard, die zich in haar thriller Vuilspel waagt aan het onderwerp "corrective rape" – verkrachting van lesbische vrouwen in de door machogedraggedomineerde township-cultuur.

In de jaren negentig nam ook het magisch realisme een hoge vlucht, geïnspireerd door het voorbeeld van Latijns-Amerikaanse schrijvers en gevoed door internationale trends als postmodernisme en postkolonialisme. Het magisch-realisme gaf Afrikaanstalige schrijvers ruimte om het Afrikaner-nationalistische discours te relativeren met nieuwe perspectieven: elementen uit de verhalenschat van andere bevolkingsgroepen en andere historische perioden. Je ziet dit bij André Brink, maar vooral ook bij Etienne van Heerden, van Toorberg tot zijn meest recente roman, Klimtol, waarvan de Nederlandse vertaling deze week wordt gepresenteerd.
Een thema dat sinds de jaren negentig niet meer weg te denken is uit de Afrikaanse literatuur is dat van de omgang met het verleden. De Afrikaanse literatuur stond daarin in de aanloop naar het jaar 2000, eeuwwisseling én millenniumwisseling, niet op zichzelf. Daar kwam bij dat in diezelfde periode, na honderd jaar, de Zuid-Afrikaanse Oorlog van 1899-1902 werd herdacht. De herinnering aan deze oorlog was dekaden lang gebruikt als topos in het Afrikaner-nationalistische discours: terwijl de kommando’s in het veld tot het bittere einde standhielden tegen de overmacht van het Britse leger, kwijnden vrouwen en kinderen weg in de Britse concentratiekampen. Er werd nooit bij verteld dat het kommandoleven meestal heel saai was, dat de kommando’s onderling voortdurend ruzie maakten en dat er aparte concentratiekampen waren waar nog eens tienduizenden zwarten omkwamen. Die beeldvorming moest worden rechtgezet, vaak in romans met een satirische inslag, te beginnen met een voorloper, Magersfontein, o Magersfontein! van Etienne Leroux, via Niggie van Ingrid Winterbach tot Sirkusboere van Sonja Loots. Speciale vermelding verdienen de historische romans van Karel Schoeman, zoals Hierdie lewe, dat onlangs door Rob van der Veer in het Nederlands werd vertaald.

Maar als het gaat om de omgang met het verleden, dan zijn we natuurlijk ook geïnteresseerd in de Vergangenheitsbewältigung met betrekking tot de meer recente apartheidsperiode. Om te onderzoeken hoe de hersenspoeling in zijn werk was gegaan, en in hoeverre men niet of juist wel had beseft dat het systeem niet deugde, maakten verschillende schrijvers gebruik van het genre van de coming of age-roman, zoals Die reuk van appels van Mark Behr, Ons is nie almal so nie van Jeanne Goosen, en, vorig jaar nog, de veelbekroonde debuutroman Valsrivier van Dominique Botha.
Eenapart genre is de grensliteratuur – romans en verhalen over de oorlog op de grens met Angola in de jaren zeventig en tachtig, het "Vietnam" van blanke Zuid-Afrikaanse dienstplichtigen – vertegenwoordigd door onder meer Etienne van Heerden, Alexander Strachan en Louis Kruger (die vanavond overigens ook hier aanwezig is).
Typerend voor de literatuur sinds 2000 is tot slot de opmars van het lekkerleesboek. Net als elders in de wereld zijn thrillers in Zuid-Afrika op dit moment heel populair. Deon Meyer kennen we natuurlijk, maar je hebt bijvoorbeeld ook Chris Karsten en Chanette Paul. Chanette Paul is vanavond hier bij ons, en wanneer u naar de website van Maandblad Zuid-Afrika gaat, kunt u alvast een voorpublicatie lezen uit haar komende roman, Ewebeeld, die begin november verschijnt.

Woord van dank
Tot slot iets over de Week van de Afrikaanse roman zelf: een leesbevorderingscampagne met als doel om in Nederland en Vlaanderen hernieuwde aandacht te vragen voor de Afrikaanse roman, al dan niet in Nederlandse vertaling. We hopen met deze campagne méér lezers in de Lage Landen enthousiast te maken voor Afrikaanse literatuur, en we hopen ook dat het Afrikaans weer een bescheiden plaats zal krijgen in het Nederlandse en Vlaamse onderwijs.
Nu al zie je dat de Week ontwikkelingen in een stroomversnelling heeft gebracht, zoals de beschikbaarheid van Zuid-Afrikaanse boeken via printing on demand – veel sneller, betrouwbaarder én goedkoper dan zeepost; uw eigen boekwinkel heeft het boek al binnen twee weken in huis. U kunt hier op onze website alles over lezen.
Ook wil ik de nieuwe afdeling over het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur op de website DBNL noemen, de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Literatuur, waar allerlei historische, literaire en taalkundige bronnen digitaal bijeengebracht zijn, zodat die overal ter wereld geraadpleegd kunnen worden. Cees Klapwijk (hier aanwezig) heeft keihard gewerkt zodat deze site vandaag gelanceerd kon worden.
Het idee voor de Week is afkomstig van een gelegenheidsgezelschap, Werkgroep Afrinetwerk. De Week kon echter slechts realiteit worden dankzij de medewerking en het enthousiasme van de ontvangende organisaties in Nederland en Vlaanderen, zoals Spui25, Writers Unlimited, het Fonds voor de Letteren, het Expertisecentrum Literair Vertalen, universiteiten, boekwinkels en bibliotheken.
De Week zou ook niet denkbaar zijn zonder onze sponsors, en het is geen formaliteit dat ik die vanavond wil noemen. Als het om het stimuleren van kunst en cultuur gaat, spelen in Zuid-Afrika bedrijven en non-gouvernementele organisaties nog vaak een rol waarvan we in Nederland gewend zijn dat die door overheidsinstanties wordt vervuld. Daarom wil ik specifiek onze Zuid-Afrikaanse sponsors niet alleen bedanken voor hun hulp met de Week, maar ook voor wat ze in Zuid-Afrika doen om kunstenaars en de kunsten te ondersteunen.
We zijn ook heel blij met de aanwezigheid van meneer Lindsay Louis van de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag. Zuid-Afrika, de rainbow nation, heeft elf officiële landstalen. Maar voor de relatie tussen Nederland, Vlaanderen, Suriname en Zuid-Afrika geldt dat de taalverwantschap tussen het Nederlands en het Afrikaans een unieke brug vormt tussen onze landen.
Lees ook Hendrik-Jan de Wit se verslag van die openingsaand hier.

