“Geef mij maar boeken en het komt goed”: Interview met Corine de Maijer door Ingrid Glorie

  • 0

In 2011 was Corine de Maijer 12,5 jaar als bibliothecaris verbonden aan het Suid-Afrikaanse Instituut, de bibliotheek van het Zuid-Afrika Huis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Bezoekers worden door haar altijd even vriendelijk, bekwaam en efficiënt geholpen. En er is niemand die de geheimen van Keizersgracht 141 beter kent dan zij. Dit jubileum is dan ook een goede aanleiding voor een gesprek over heden, verleden én toekomst van ‘hét Huis’. 

Wat is het Zuid-Afrika Huis?

Om te begrijpen wat het Zuid-Afrika Huis is, is het goed om eerst te kijken wie er in het Zuid-Afrika Huis ‘wonen’. Ik begin met mijn eigen club, het Suid-Afrikaanse Instituut (SAI). Daaronder vallen de bibliotheek en een kleine uitgeverij. Het SAI is een wetenschappelijke bibliotheek, gespecialiseerd in taal- en letterkunde en geschiedenis. De catalogus telt zo’n 46.000 boeken en artikelen. We zeggen altijd dat wij buiten Zuid-Afrika de grootste bibliotheek over Zuid-Afrikaanse letterkunde zijn, en als ik zo om me heen kijk, dan lijkt dat ook wel te kloppen. Het SAI verzorgt ook taalcursussen, een leeskring en literaire bijeenkomsten.

Daarnaast zit de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging (NZAV) hier in huis. Die geeft het maandblad Zuid-Afrika uit en organiseert één of twee keer per jaar voor de leden een grote bijeenkomst met een spreker uit Zuid-Afrika of betrokken bij Zuid-Afrika. Verder hebben we het Studiefonds voor Zuid-Afrikaanse studenten, dat beurzen geeft aan Zuid-Afrikaanse studenten zodat ze een jaar in Nederland kunnen studeren. En dan is er natuurlijk nog ZASM. De afkorting NZASM stond vroeger voor Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij. Daarna verwees ZASM naar de Zuid-Afrikaanse Stichting Moederland, maar inmiddels staat de afkorting nergens meer voor. Het is ZASM die met haar kapitaal het huis in stand houdt, het personeel betaalt en daardoor alle activiteiten die hier worden georganiseerd, mogelijk maakt.

Kun je iets over de geschiedenis van het gebouw vertellen?

Het Zuid-Afrika Huis is gevestigd in een oud pand aan de Amsterdamse Keizersgracht. Het voorhuis stamt uit de vroege zeventiende eeuw, het achterste deel is er rond 1800 bij gekomen. Het huis behoorde aanvankelijk aan een familie van bierbrouwers. Ze hadden al een brouwerij aan de Prins Hendrikkade, dichtbij het IJ, ‘De witte arend’ geheten. Vandaar dat dit huis de naam ‘De dubbele arend’ kreeg. De beroemdste bewoner was Laurens Reael, die hier woonde vanaf zijn huwelijk in 1630 tot zijn dood in 1637. Reael was al op jonge leeftijd enige jaren Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië geweest. Na zijn terugkeer in Nederland hield hij zich vooral bezig met wetenschap en kunst. Hij was zelf een niet onverdienstelijk dichter en hij was goed bevriend met de belangrijkste schrijvers en geleerden van zijn tijd, zoals Hugo de Groot, PC Hooft en Joost van den Vondel. Ook de volgende bewoner, Jacques Specx, had carrière gemaakt in ‘Indië’ en daar de hoogste post bereikt, als directe opvolger van Jan Pieterszoon Coen. Specx had een aanzienlijke kunstverzameling; in zijn tijd hingen er in dit huis zelfs meerdere schilderijen van Rembrandt aan de muur! De complete geschiedenis van het huis en zijn bewoners is opgetekend in het boekje Het Huis ‘De Dubbele Arend’ van W Ph Coolhaas (1973).

In 1917 is het huis in handen gekomen van de ‘Handel-maatschappij voorheen Kerkhoff & Co’. De directeur van dit bedrijf was een zoon van RWJC van den Wall Bake, een van de oprichters van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Spoorweg-Maatschappij, die verantwoordelijk was geweest voor de aanleg van de spoorverbinding tussen Pretoria en Delagoabaai. Aanvankelijk verhuurde het bedrijf een deel van het huis aan de opvolger van de NZASM, de Zuid-Afrikaanse Stichting Moederland. In 1923 kocht ZASM het hele huis aan en nodigde andere organisaties die zich eveneens met Zuid-Afrika bezighielden uit om zich ook in het huis te vestigen, om op die manier de krachten te bundelen.

Wat voor bronnenmateriaal bevindt zich in de archieven?

Tegenwoordig wordt de zolder van het huis helemaal in beslag genomen door archieven: van de NZASM, de NZAV, het Studiefonds, het SAI en het maandblad natuurlijk, maar ook archieven van personen die overleden zijn of organisaties die niet meer bestaan en die zich in het verleden hebben beziggehouden met Zuid-Afrika, zoals de Stichting Landverhuizing, het Emigratiekantoor, Elizabeth Conradie (de eerste bibliothecaris van het SAI) of voormalige bestuursleden van de NZAV zoals de verschillende Beelaerts van Bloklanden, Emous en noem ze allemaal maar op. Het oudste materiaal gaat terug tot de oprichting van de NZAV in 1881. In de verschillende archieven worden veel brieven bewaard van mensen die vanuit Nederland werden uitgezonden naar Zuid-Afrika, zoals onderwijzers en spoorwegpersoneel. Het archiefmateriaal wordt vooral gebruikt door studenten en docenten die op zoek zijn naar relaties tussen Nederland en Zuid-Afrika.

Een paar jaar geleden hadden we hier een student die onderzoek deed naar Nederlandse onderwijzers die werden uitgestuurd naar Zuid-Afrika. Hij kwam tussen het archiefmateriaal brieven tegen van een Nederlandse onderwijzer die tijdens de Anglo-Boerenoorlog als krijgsgevangene was verbannen naar Ceylon. De eerste brief die deze onderwijzer naar huis stuurde, was een vel papier met gaatjes erin geknipt. Vervolgens schreef hij een algemene brief over hoe het met hem ging en als je dan het vel met de gaatjes over die brief heen legde, kwam er een verborgen boodschap te voorschijn, over hoe slecht het leven in het kamp was, hoe weinig ze te eten kregen… Als zo’n parel nú, na honderd jaar, nog uit het archief naar boven komt, dan denk ik dat er nóg wel iets moois in verstopt zit.

Hoe is de collectie van de bibliotheek samengesteld?

De bibliotheek, het Suid-Afrikaanse Instituut, is in 1939 opgericht als onderdeel van de Stichting voor de Bevordering van de Studie van Taal, Letterkunde, Cultuur en Geschiedenis van Zuid-Afrika. De bibliotheek was bedoeld ter ondersteuning van de in 1933 ingestelde Bijzondere Leerstoel Zuid-Afrikaanse Taal- en Letterkunde aan wat toen nog de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam heette, nu de Universiteit van Amsterdam. De eerste bibliothecaresse, Elizabeth Conradie, verzorgde ook enige tijd onderwijs. In de jaren vijftig en zestig was NP van Wyk Louw hoogleraar in Amsterdam en nu is dat Ena Jansen. Aanvankelijk was de bibliotheek onderdeel van de universiteitsbibliotheek, maar in 1950 werd hij ook hier op de Keizersgracht ondergebracht.

Het SAI is een wetenschappelijke bibliotheek. De speerpunten zijn Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde en geschiedenis. Daarnaast hebben we veel boeken over verwante onderwerpen, zoals cultuur, architectuur, godsdienst en onderwijs. We richten ons minder op thema’s als politiek, natuur en milieu. Dat hebben we óók wel, qua collectionering houd ik er rekening mee dat we ook op die gebieden een beetje actueel zijn, dat we weten wat er speelt. Maar wat de drie speerpunten betreft, proberen we nagenoeg compleet te zijn.

We krijgen onze boeken door goede relaties met Zuid-Afrikaanse uitgevers die door de jaren heen zijn opgebouwd en vastgehouden. In het verleden stuurden deze uitgeverijen alles wat ze uitgaven, hiernaartoe. Dat was ten eerste te veel en ten tweede te kostbaar. Op een gegeven moment werden voor de Zuid-Afrikaanse uitgevers de portokosten te duur. Een tiental jaar geleden hebben we daar een oplossing voor gevonden in de vorm van een subsidie van de Van Ewijck Stigting; die geeft jaarlijks een bedrag waarmee de boeken naar Nederland gestuurd kunnen worden. De schenkingen van de uitgeverijen gebeuren tegenwoordig op basis van verlanglijstjes die ik van de uitgevers zelf mag samenstellen. De belangrijkste donoren zijn NB Uitgewers, Umuzi en Protea Boekhuis. Daarmee wil ik andere uitgeverijen die incidenteel boeken doneren niet te kort doen, want ook met de kleine uitgeverijen hebben we goede contacten. Als ik boeken krijg, probeer ik daar natuurlijk publiciteit aan te geven, zodat ze ook in Nederland een beetje bekendheid krijgen: alle schenkingen worden vermeld in de aanwinstenlijst in het maandblad. Voor de uitgeverijen is deze exposure heel belangrijk. En soms gebeurt het, dat een Nederlandse vertaler zijn oog bij ons in de bibliotheek op een boek laat vallen en dat het dan inderdaad zijn weg vindt naar een Nederlandse uitgever. De bekende Zuid-Afrikaanse schrijvers worden natuurlijk al vertaald, daar hebben wij helemaal niets aan toe te voegen. Maar bij de minder bekende schrijvers lukt het een enkele keer.

Wat is je functie binnen het Zuid-Afrika Huis?

Ik ben in de eerste plaats bibliothecaris. Als bibliothecaris zorg ik ervoor dat de collectie bijgehouden wordt en up-to-date blijft. Ik moet weten wat er speelt in Zuid-Afrika, welke boeken er uitkomen, wat voor ons relevant is en wat niet… Maar mijn takenpakket is in de afgelopen jaren enorm uitgebreid: webmaster, redactiesecretaris van het maandblad, secretaris van de NZAV wat betreft de ledenadministratie, de organisatie van de taalcursussen, de literaire bijeenkomsten en de leeskring. Het is ontzettend leuk om zoveel verschillende petten op te hebben; het maakt een werkdag heel afwisselend.

Iets waar ik me jarenlang voor heb ingespannen, is de digitalisering van de bibliotheek. Het complete fotoarchief is inmiddels ingescand en beschreven, en valt naast onze eigen catalogus bijvoorbeeld ook te raadplegen via de website ‘Geheugen van Nederland’, onder de titel ‘Zuid-Afrika in beeld’. En tot afgelopen zomer werkten we nog met uitleenkaartjes, handgeschreven, op papier, in een mooi bakje op het bureau. Lekker ouderwets, maar het functioneerde prima. Maar sinds 6 september 2011 is de volledige catalogus van het SAI opgenomen in de Nederlandse Centrale Catalogus (NCC), Pica en Worldcat. Dat is een heel belangrijke stap. Als je een collectie hébt, moet hij ook gebruikt worden. De opname in de NCC heeft geleid tot extra leenaanvragen, meer mails en extra bezoekers. De allereerste aanvraag via het nieuwe systeem kwam uit Italië! 

Wie maken er op een gewone dag gebruik van het Zuid-Afrika Huis?

Het publiek is heel divers: studenten, docenten, mensen die bezig zijn met een radio- of tv-item of een documentaire... En gelukkig ook mensen die gewoon lekker willen lezen en maandelijks langskomen om een nieuwe voorraad boeken te halen. Verder krijgen we hier ook geregeld mensen die stamboomonderzoek doen en die in het archief op zoek gaan naar hun opa’s die aan het begin van de twintigste eeuw als onderwijzers of spoorwegpersoneel naar Zuid-Afrika zijn gestuurd.

Wat voor activiteiten worden er door het Zuid-Afrika Huis georganiseerd?

Een paar jaar lang is de bovenverdieping van het huis als bedrijfsruimte verhuurd om inkomsten te genereren voor de onderhoud van het gebouw. Toen het laatste bedrijf wegging, heeft onze toenmalige directrice, Sief Veltkamp, het bij ZASM voor elkaar gekregen dat we deze ruimte weer zelf konden gaan gebruiken. We wilden namelijk activiteiten organiseren die groter waren dan wat we in de vergaderkamer of in de bibliotheek konden doen. ZASM heeft zelfs een vleugel gekocht, zodat we meer concerten konden gaan houden. Sindsdien doen we mee aan het Grachtenfestival en de Open Monumentendagen. En onze eigen activiteiten zijn groter geworden en vooral ook frequenter. Zo zijn we met de cursussen Afrikaans gestart. De eerste jaren werden die gegeven door Maryna Booysen en nu alweer jaren, met veel plezier, door Elize Zorgman. De vaste deelnemers zijn dolenthousiast. We hadden altijd, bij voldoende belangstelling, een beginners- en een gevorderdencursus, maar nu hebben we er zelfs een conversatiecursus bij. We bieden ook een cursus Nederlands voor Afrikaanssprekenden aan; daar komen vooral au pairs uit Zuid-Afrika op af, en Zuid-Afrikanen die in het Nederlandse bedrijfsleven werken. Op de bovenverdieping zijn ook wisselende tentoonstellingen te zien met werk van Zuid-Afrikaanse kunstenaars. En de leeskring, die jij en ik in 2000 opgezet hebben, draait ook nog steeds.

Het leukste vind ik zelf de literaire bijeenkomsten. Als ik hoor dat er een Zuid-Afrikaanse schrijver naar Nederland komt, dan probeer ik die altijd een middagje of een avondje naar Amsterdam te halen, om iets te vertellen over zijn of haar werk, in welke vorm dan ook. Schrijvers die we hier te gast hebben gehad, zijn bijvoorbeeld Marlene van Niekerk, Etienne van Heerden, Marita van der Vyver, Wilma Stockenstrom, Rachelle Greeff, Eben Venter, EKM Dido, Henning Pieterse, Carina Stander, Dan Sleigh, Lina Spies en Louis Esterhuizen. Ook hebben we hier al optredens gehad van onder meer Karin Hougaard en Laurinda Hofmeyr.

Hoogtepunten waren voor mij de Agaat-middag met Marlene van Niekerk, Riet de Jong-Goossens en Lidewijde Paris, en de middag rond het werk van Elisabeth Eybers, met de Nederlandse dichters Willem Jan Otten en Tomas Lieske. En natuurlijk de presentatie van Bak en brou, het kookboekje waar Gerhard Bruyns en ik een jaar lang in onze vrije tijd aan hebben gewerkt.

Wanneer ben je bij het SAI in dienst getreden?

Ik ben begonnen op 1 april 1999. Daarvoor had ik zeven jaar gewerkt bij een groot bedrijf met een aantal elektriciteitscentrales in het oosten van Nederland. Zeven jaar lang hebben ze me proberen uit te leggen hoe zo’n centrale werkte, maar zodra ik buiten stond, was ik alweer vergeten hoe dat nou zat, met die generatoren. Gelukkig hoef je als bibliothecaris alleen maar te weten hoe je aan informatie komt en niet hoe het werkt. Maar na zeven jaar had ik het daar wel gezien. Toen heb ik bij het SAI gesolliciteerd.

Wat wist je van Zuid-Afrika toen je bij het Zuid-Afrika Huis begon?

Van Zuid-Afrika wist ik helemaal niets, maar ik ben een echte bibliothecaris, dus geef mij maar boeken en het komt goed. De aantrekkingskracht was het totaal andere vakgebied waar ik mee bezig zou gaan. In de loop der jaren heb ik er natuurlijk wel veel bij geleerd. Dat begon al met de oprichting van de leeskring, en ik heb een jaar of vijf de colleges Zuid-Afrikaanse letterkunde van Ena Jansen gevolgd. Al lezende kwam ik erachter dat de literatuur uit Zuid-Afrika geweldig is. En ik vind het Afrikaans een prachtige taal. Het klinkt gevoeliger, de woorden staan dichter bij je dan onze Nederlandse woorden. Dat de Afrikaners hun eigen woorden bedenken, is natuurlijk fantastisch! Verder ben ik nu drie keer in Zuid-Afrika geweest, twee keer privé en één keer zakelijk. Waar ik veel van heb geleerd, is de gastvrijheid die ik overal in het land tegenkwam. En ik heb ook geleerd en overgenomen om eens wat vaker ‘dank je wel’ te zeggen. Wij Nederlanders doen dat iets te weinig. Het zijn maar drie woordjes, maar je laat ermee blijken dat je blij bent met wat er voor je gedaan wordt. Dat soort beleefdheid, daar ontbreekt het bij ons nog wel eens aan, en dat probeer ik een beetje meer toe te passen.

Inmiddels heb ik natuurlijk wel enige kennis over Zuid-Afrika opgedaan, al zal ik mij nooit een expert voelen. Wat ik nog steeds moeilijk vind, is om te praten over de Zuid-Afrikaanse bevolking als één gemeenschap. Nederlandse scholieren komen soms met vragen in de trant van: “Hoe zit dat nou met die Zuid-Afrikanen daar? Welke taal spreken ze daar eigenlijk? En wat doen ze bijvoorbeeld als er een kind geboren wordt?” Dat is zó divers: de één doet dit, de ander dat. Dat moet je altijd meegeven, dat er zoveel verschillende ideeën, culturen en gewoonten achter zitten.

In wat voor organisatie kwam je terecht?
 
In de jaren van het apartheidsregime in Zuid-Afrika hield het huis een laag profiel. Dat wilde zeggen dat men niet op de voorgrond trad, maar wel doorging met bepaalde activiteiten. Dat heeft erin geresulteerd dat deze bibliotheek zo compleet is als hij nu is. Bij andere organisaties, zoals de universiteitsbibliotheken, werd de collectie Zuid-Afrika in die jaren bijna afgeschaft; daar vind je bijna niets uit die periode. Terwijl wij – dat wil zeggen: mijn voorgangers – altijd doorgegaan zijn met aanschaffen op allerlei gebied. Oók als het gaat om het werk van zwarte schrijvers. Het inschrijfsysteem van de boeken werkt met een jaartal en dan een volgnummer, dus je ziet onmiddellijk wanneer een boek is aangeschaft. Ook in 1984, 1985 bijvoorbeeld, in de hoogtijdagen van apartheid, zijn dit soort boeken door deze bibliotheek aangeschaft. Voor zover ze uitgegeven werden en de bibliotheek er de hand op kon leggen, is dat altijd doorgegaan.

Omdat de NZAV en het SAI hun contacten met Zuid-Afrika in de jaren van de boycot nooit hebben verbroken, beschouwden veel Nederlanders het Van Riebeeckhuis, zoals Keizersgracht 141 toen nog heette, als een ‘foute’ organisatie. Hier is in de jaren negentig geleidelijk verandering in gekomen. Dat was ook één van de redenen waarom ze mij hebben aangenomen. Het was natuurlijk niet best dat ik niets van Zuid-Afrika af wist, maar daardoor was ik ook heerlijk ‘groen’. De andere organisaties in Nederland die zich met Zuid-Afrika bezighielden – het Nederlands Instituut voor Zuidelijk Afrika (NIZA, de voormalige anti-apartheidsbeweging), Kairos en het Afrika Studiecentrum, wilden geen contact met dit huis omdat het een slechte naam had. Het werd een van mijn taken om, als bibliothecaris, contact te leggen met de bibliothecarissen van de andere organisaties. Dat was verhipte moeilijk, want ik als groentje, die helemaal nergens van wist, moest opeens bij Erik van den Bergh van Kairos komen voor een kennismakingsgesprek, en bij Kier Schuringa van het NIZA. “Wat ben jij er voor één?” zeiden die. “Zit jij bij die foute club?” Dan was het voor mij wel prettig om te kunnen zeggen: “Sorry, ik ben nieuw, ik probeer alleen maar een relatie op te bouwen, als jullie dat ook willen.” Gelukkig dooide het ijs redelijk snel toen ze ontdekten hoe weinig ik van Zuid-Afrika af wist. Als bibliothecaris kun je zaken ten aanzien van je collectie en de samenwerking bewerkstelligen zonder enige kennis van wat daar achter zit. Dat wil niet zeggen dat ze de mensen die achter jou staan, óók meteen goedkeuren en omarmen; maar ze kunnen in ieder geval wel met jou samenwerken. Een mooi resultaat van die samenwerking is natuurlijk ‘Egoli’, de boekendienst die het SAI samen met NIZA en Kairos heeft opgezet om Zuid-Afrikaanse literatuur in Nederland beschikbaar te maken.

Waarom is gekozen voor de naam Zuid-Afrika Huis?

Het is voor de buitenwereld altijd onduidelijk geweest wie er allemaal in het huis zitten en waarom er zoveel verschillende besturen zijn. Dus is er rond 2000 besloten om samen verder te gaan onder de noemer Zuid-Afrika Huis. Toch kun je nog steeds lid worden van de NZAV óf van het SAI, je kunt ook van allebei gezamenlijk lid worden… Dat moet je toch altijd weer even uitleggen.

De naamsverandering symboliseert ook een cultuuromslag. Wie zijn daarvoor verantwoordelijk?

Die cultuuromslag is bijvoorbeeld te danken aan Ena Jansen. Ena brengt zoveel leven in de brouwerij! Ena geeft sinds 2002 haar colleges aan de UvA. Ik heb vanaf het begin meegedaan, ook om de drempel voor de studenten te verlagen, zodat ze makkelijker de weg naar de bibliotheek zouden kunnen vinden. Een of twee jaar later begon Ena met een introductieles hier in huis. En de laatste paar jaar geeft ze de hele reeks hier, dicht bij de bron. Zij trekt daarmee hordes studenten aan. Ze moet de inschrijving beperken, anders verliezen haar colleges het karakter van een werkcollege. De grens ligt bij 15 of 20 studenten; maar als ze dat niet zou doen, zouden er 25, 30 of zelfs 40 komen. Verder brengt ze haar hele netwerk van schrijvers en academici mee. Zij weet vaak welke schrijvers Nederland komen bezoeken en ze probeert dan ook te regelen dat ze een middag of avond hier optreden. Ook Bart de Graaff, de hoofdredacteur van het maandblad, de letterkundige Hans Ester en de huidige voorzitter van de NZAV, Wiete Hopperus Buma, en zijn voorganger, Roelof Eiting, hebben ieder hun eigen invloed gehad op de cultuuromslag in het huis. En niet te vergeten het Jongerenproject.

Hoe heeft, in jouw waarneming, de belangstelling van het Nederlandse publiek voor Zuid-Afrika zich in de afgelopen 12,5 jaar ontwikkeld?

Ik ga niet van het hele Nederlandse publiek uit, maar van het publiek van het Zuid-Afrika Huis, dat is mijn kader. De belangstelling is beslist groter geworden. De bezoekersaantallen van de bibliotheek stijgen elk jaar. Naast Ena Jansen zijn er ook aan de Vrije Universiteit, de Universiteit van Amsterdam en de Rijksuniversiteit Leiden steeds meer docenten die gebruik maken van de bibliotheek en die hun studenten hierheen sturen. Ze komen niet alleen voor taal- en letterkunde, maar ook voor bijvoorbeeld geschiedenis, boekwetenschap en filosofie. Verder is er veel belangstelling voor Zuid-Afrikaanse artiesten die naar Nederland komen, zoals Pieter-Dirk Uys, Amanda Strydom en het Soweto Gospel Choir, en voor de musicals over Zuid-Afrika die de afgelopen jaren zijn opgevoerd, zoals Amandla Mandela!. Daar besteden we via de website en in aparte mailingen aandacht aan.

Over het voortbestaan van het Zuid-Afrika Huis is veel te doen geweest. Hoe staat het er nu voor?

Voorlopig is de wind gaan liggen. We gaan niet dicht, we blijven. Het huis wordt verkocht aan een stichting, die de zorg voor het onderhoud van het gebouw op zich neemt, zodat die taak niet langer op het bordje van ZASM ligt. Welke stichting het precies wordt, is nog niet bekend. De archieven gaan naar de VU. Maar de bibliotheek blijft hier. Die zal wel moeten worden ondergebracht in een kleiner gedeelte van het pand. Nu is het nog spannend welk gedeelte dat wordt, en hoe groot het zal zijn.

Ik vind het jammer dat de archieven de deur uit gaan. Als personeel en gebruikers van het huis hebben we steeds de insteek gehad, dat we hier willen blijven, omdat we met z’n allen een totaal vormen, mét de verschillende instellingen hier in huis, mét de bibliotheek én de archieven. Als ik een klant krijg die vraagt naar iets uit het archief, dan kan ik ook verwijzen naar een boek uit de bibliotheek, of andersom. Ik kan me niet voorstellen dat een niet heel erg geïnteresseerde lezer straks onmiddellijk op zijn fietsje springt naar de VU, of andersom. Dat verband raak je kwijt.

Maar als bibliotheek blijven we dus gewoon hier, daar vertrouw ik op. Het zal nog een heel traject zijn. ZASM is nu aan het kijken welke organisatie het huis overneemt en in welke vorm we het dan terugkrijgen. Daar gaat nog wel een poos overheen. En dan zal er ook flink verbouwd en ingericht moeten worden voor we weer verder kunnen in het gedeelte dat we dan nog mogen houden. Dat wordt nog een hele klus.

Het is de vraag of de activiteiten dan nog voortgezet kunnen worden. Als we de bovenverdieping kwijtraken, gaan we terug naar af. We kunnen dan alleen nog activiteiten in de leeszaal organiseren. Maar of die er dan nog hetzelfde uitziet...? Als alles naar een kleiner gedeelte moet, dan moet je heel anders gaan denken. Het kan het einde van de activiteiten betekenen. Of niet. Het is allemaal nog koffiedik kijken. Het is afhankelijk van de ruimte die we overhouden en afhankelijk van hoe de overgebleven ruimte ingericht wordt.

Toen het voortbestaan van het Zuid-Afrika Huis bedreigd werd, hebben we van verschillende kanten morele steun gekregen. Ook vanuit Zuid-Afrika. Veel mensen die het huis een warm hart toedragen, hebben de petitie getekend of een mailtje gestuurd waarin ze hun medeleven betuigden en vroegen of ze iets konden doen. Dat heeft ons veel goed gedaan.

  • 0

Reageer

Jou e-posadres sal nie gepubliseer word nie. Kommentaar is onderhewig aan moderering.


 

Top