- Keer terug na Ena Jansen: Afskeidsgeleentheid byeengebring
Op Vrydagmiddag 17 Junie 2016 het Ena Jansen afskeid geneem as bijzonder hoogleraar van die Suid-Afrikaanse letterkunde aan die Universiteit van Amsterdam. Sy het ’n aantal vriende en kollega’s gevra om op Vrydagoggend deel te neem aan ‘n simposium by die akademies-kulturele ruimte Spui25. Elkeen het ongeveer 10 minute lank oor ’n onderwerp gepraat wat verband hou met Ena se belangstelling in die uitbeelding van huisbediendes in die literatuur.
Hieronder is Jacqueline Bel se toespraak by die geleentheid:

Lieve Ena, dames en heren,
Ik begin met een citaat uit Sprotje, een van de dienstmeisjes in de Nederlandse literatuur. Sprotje, hoofdpersoon in de naturalistische bestseller van Margo Antink uit 1906, is bezig de vloer te dweilen. “In elkaar geschurkt, haar kleine lichaam als gebroken van het beukende werk, wroette en wrong zij over den grond als een vertrapt insect.” Deze regels liegen er niet om: het werk van een dienstmeisje is zwaar, al boenend moet ze over de vloer kruipen. Het is duidelijk: dienstmeisjes, huishoudsters of - zoals ze nu vaak eufemistisch genoemd worden: interieurverzorgsters - spelen in de maatschappij doorgaans een ondergeschikte rol, ze hebben een baas, meestal een bazin, wier opdrachten ze moeten uitvoeren. Ook in de literatuur vervullen ze vaak een bijrol, maar soms staan ze wél centraal, zoals in Flauberts Un coeur simple (1877), in Germinie Lacerteux (1865) van de gebroeders De Goncourt, in Sprotje (1906) of in Else Böhler, Duits dienstmeisje (1935) van Simon Vestdijk. Recentelijk verscheen Mothering Sunday (2016) van Graham Swift, eveneens met een dienstmeisje in de hoofdrol. In Soos familie/ Bijna familie, De huishoudster in het Zuid-Afrikaanse gezin, het mooie boek van Ena Jansen waarvan vandaag de vertaling ten doop wordt gehouden, komen verschillende vrouwelijke bedienden als literaire hoofdpersoon voor. Machtsverhoudingen tussen baas en ondergeschikte, tussen “maid” en “madam” spelen in deze romans een rol waarbij het vaak draait om ras-, klasse- en genderverschillen. Deze complexe relatie in “the contact zone” - het begrip is van Mary Louise Pratt - wordt volgens Ena Jansen bepaald door ambivalentie en houdt zowel ‘intimiteit als afstand” in. Ook in Nederlandse romans duiken dienstboden en dienstmeisjes op, al lijkt de situatie in Nederland niet goed vergelijkbaar met die in Zuid-Afrika, waar sociale verhoudingen lange tijd werden bepaald door rassenwetten en apartheid. Maar misschien leveren de postkoloniale literatuur – daar horen we straks meer over in de lezing van Pamela Pattynama - of de standenmaatschappij die Nederland in de eerste helft van de 20ste eeuw nog kenmerkte, aanknopingspunten.
Laat ik daarom aan de hand van enkele voorbeelden nagaan hoe dienstmeisjes gerepresenteerd worden in de Nederlandse literatuur uit die tijd, waarbij ik - geïnspireerd door Ena Jansen - vooral let op de machtsverhoudingen en en passant naga of de dienstmeisjes voorgesteld worden als sloof of als sekssymbool. In het geval van Sprotje hebben we vooral te maken met een sloof, bij Else Böhler, Duits dienstmeisje van Vestdijk ligt dat anders. Ik kom hier op terug.
Dienstmeisjes duiken regelmatig op bij Vestdijk, niet alleen in Else Böhler maar ook in zijn Anton Wachterromans. Bij hem zijn het geen sloven, maar seksueel aantrekkelijke meisjes: Janke in Sint Sebastiaan (1937) bijvoorbeeld, het eerste deel van de Anton Wachter-romans. De geur van boenwas associeert de jonge Anton met opgeschorte rokken.
“Zij gaf zich niet eens de moeite te zeggen, dat ze nu ‘moedertje’ speelden of ‘paardje’, of dat ze haar rokken opsloeg voor het stof of tegen het kreukelen. Want dit was een spel zonder woorden, een spel zonder naam, en naamloos was ook de betovering waarin de jonge Anton zolang als het duurde – en dat was heel kort – wegzonk op die roodbaaien onderlaag […].”

Ook in andere Nederlandse romans uit die tijd vervullen dienstmeisjes een pikante bijrol - Sprotje uitgezonderd. Een vroeg voorbeeld is het dienstmeisje Marie in Een liefde (1887) van Lodewijk van Deyssel, waar de heer des huizes zijn begerig oog laat vallen op het “vette blanke vleesch” van Marie, waarna hij zich aan het meisje vergrijpt. Ook in Bordewijks Bint (1934) passeert een zinnenprikkelende werkster: “Ze had iets grof interessants [...], de mond was sensueel, iets open. Ze tandelachte langs hem, de trap omlaag.” Karakter (1937) van Bordewijk is een ander voorbeeld: ook Joba, de moeder van de hoofdpersoon, Katadreuffe junior, is een dienstmeisje dat ongehuwd zwanger wordt. Zij heeft overigens wél een sterk karakter en weigert een huwelijk.

Zoals gezegd draait het bij de weinig aantrekkelijk voorgestelde Sprotje zeker niet om erotiek– ze heeft sprieterig haar, groene tanden en haar bijnaam dankt ze aan haar vissenmond. De sexy dienstmeisjes van Vestdijk vormen dan ook een groot contrast met het armoedige Sprotje. Bij Vestdijk is de positie van de dienstmeisjes ook anders. Ze worden bekeken vanuit het perspectief van een begerende mannelijke hoofdpersoon, terwijl Sprotje zelf de hoofdfiguur is en vooral wordt voorgesteld als een representant van de lagere klasse. Dienstmeisjes worden in veel romans van voor de Tweede Wereldoorlog gerepresenteerd als seksueel beschikbare jonge vrouwen. Janke, het meisje uit de Anton Wachter-serie, past daar goed in, ze neemt zelfs het initiatief. Bij Else Böhler ligt dat genuanceerder.

Waar gaat de roman over? Net als Sprotje schetst Else Böhler een tijdsbeeld, niet rond 1900 maar van de crisis in de jaren dertig. De ouderejaarsstudent Johan Roodenhuis, die weer thuis moet komen wonen omdat zijn vader failliet is gegaan, knoopt een obsessieve relatie aan met Else, het Duitse dienstmeisje van de buren. Zo probeert hij zijn verstikkende ouderlijk huis en ook de wurggreep van zijn moeder te ontvluchten. Else lijkt een gemakkelijke partij, ze weet Johan althans met een doeltreffende knipoog aan zich te binden, maar tot zijn frustratie komt hij niet verder dan kussen in het park. Wanneer Else haar congé als dienstmeisje heeft genomen en naar Duitsland is teruggekeerd, reist Johan haar achterna. Het wordt een hopeloze zoektocht, die eindigt in de moord op een vermeende rivaal. Johan wordt ter dood veroordeeld en schrijft vanuit de dodencel het verhaal van Else, dat wil zeggen de roman die de lezer voor zich heeft. Het complexe boek is om verschillende redenen razend interessant, niet alleen vanwege het beeld van de crisisjaren of de fantastische, groteske beschrijvingen van Nazi-Duitsland, maar ook vanwege de dienstmeisjes-thematiek. Machtsverhoudingen spelen daarbij op verschillende manieren een rol en daar waren we naar op zoek.
Voor ik daar op inga nog iets over de Duitse dienstmeisjes. Zij waren in de jaren dertig in Nederland een bekend verschijnsel. De diepe crisis waarin Duitsland na de Eerste Wereldoorlog verkeerde, zorgde ervoor dat veel jonge vrouwen werk gingen zoeken in het buitenland, ook in Nederland. Else heeft dus banden met de realiteit van toen. Maar voor Johan is Else Böhler vooral verbonden met erotiek, ik zei het al, de freudiaanse symboliek druipt van de bladzijden. Else is echter geen standaard dienstmeisje, ze is geen gemakkelijke prooi. De hiërarchische verhouding tussen academicus in spe en dienstmeisje lijkt ook duidelijk, maar is dat niet. Omdat Johan Duits moet spreken verdwijnt het standsverschil, zo lezen we in de roman. Gaat het hier om een verwijzing naar het einde van de standenmaatschappij? Johans verslaving aan Else, ook al verafschuwt hij haar soms, maakt hem bovendien van haar afhankelijk. De macht ligt dus niet bij hem maar bij haar.

Het verlangen naar erotiek voert zoals gezegd de boventoon, maar ook in Else Böhler worden ramen gelapt en matten geklopt. De hoofdpersoon bekijkt Else vanaf zijn balkon en ziet haar bepaald niet als een sloof.
“Stofwolken trokken over drie tuintjes tegelijk. Zonder op of om te kijken sloeg zij er ferm op los, regelmatig en machinaal, maar met een zekere geestdriftige overgave. Van tijd tot tijd bleef de klopper in de lucht hangen en hield ze haar hoofd wat schuin, als een schilder die nagaat of er nog iets aan het kunstwerk ontbreekt.”

Else Böhler werkt bij twee ongetrouwde zussen die gek op haar zijn. Ze worden beschreven als een soort monsters, bijgenaamd de dwerg en de aapmens: “Een laag voorhoofd, bonkige bokserkaak, loerende diepliggende oogjes […].” De zussen passen op Else als hellehonden: “Was er een leverancier aan de deur, dan stond de aapmens achter in de gang op post, de dwerg voor het raam”. De vergelijking met Perseus en Andromeda wordt expliciet gemaakt. De door Perseus begeerde Andromeda - in de roman Else - werd gevangen gehouden door een monster - vandaar de afstotelijke beschrijvingen van de bazinnen. De dwerg lijkt verliefd op Else. Zo vertelt Else dat de dwerg haar, als ze op een trapje staat te boenen, soms aan haar benen kriebelt. Hoger dan de kuitronding kwam de dwerg nooit, aldus Else. De intimiteit lijkt hier op verdrongen begeerte. Wanneer Else uiteindelijk meldt dat ze wil vertrekken, smeekt de dwerg haar eerst op haar knieën te blijven. Heeft dat geen effect dan gooien beide zussen Elses boeltje op straat, maar ook hier lijkt de machtsverhouding omgekeerd. De vrouwen bewonderen en begeren hun dienstmeisje en willen niet dat ze vertrekt, maar Else gaat tóch.

Interessant is ook dat de roman aan de zijlijn de complexe machtsverhouding tussen dienstmeisje en bazin problematiseert op een soms hilarische manier: zo werkt de moeder van Johan in de roman vele dienstmeisjes af. Ook hier draait het om macht. In het begin is de moeder de baas - ze is “erop”, tot de dienstmeisjes langzaam maar zeker de macht overnemen, met deuren gaan slaan en dingen gaan breken. Dan zijn de rollen omgedraaid en is de moeder ‘eronder’. Dat heeft als resultaat dat het meisje de laan uitvliegt, waarna het proces opnieuw begint met een vers dienstmeisje. Uiteindelijk ligt de macht natuurlijk bij de moeder die de meisjes kan ontslaan als ze te brutaal worden, maar de machtsverhouding is toch een stuk complexer dan op het eerste gezicht lijkt. Op verschillende manieren wordt de traditionele verhouding tussen machthebbers en “onderdrukten” in deze roman dus op zijn kop gezet.
Ik moet afronden: op basis van enkele romans kun je natuurlijk niet veel zeggen over dienstmeisjes in de Nederlandse literatuur, al lijkt deze roman van Vestdijk wel het einde van de standenmaatschappij te markeren. En hoewel de verschillen tussen de Zuid-Afrikaanse en de Nederlandse literatuur groot zijn, zijn er misschien toch meer raakvlakken dan je op het eerste gezicht zou verwachten. De interessante studie van Ena Jansen, Bijna familie, die ook een hoofdstuk bevat over seksualiteit, kan een aanzet zijn om verder te kijken dan Sprotje en Else Böhler, om de problematiek van de dienstmeisjes in de Nederlandse literatuur beter te bestuderen, ook in samenhang met de postkoloniale literatuur én in een internationaal verband. En daarvoor, maar ook nog voor heel veel andere dingen, wil ik haar - mijn buurvrouw - hier graag bedanken!
Bibliografische aantekeningen
In deze voordracht heb ik gebruik gemaakt van enkele eerdere publicaties: Jacqueline Bel, ‘Sloof of sekssymbool. Over Margo Antinks Sprotje en de sexy dienstmeisjes van Vestdijk’, in: Armada 11 (2005), 41, 30-41; zie ook Jacqueline Bel, Bloed en rozen, Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945, Amsterdam 2015.
Er is veel gepubliceerd over Else Böhler, Duits dienstmeisje. Zie bijvoorbeeld het speciale nummer van de Vestdijkkroniek 1986, 50 (met bijdragen van R. Marres, Herman Stevens, P. Kralt en Rudi van der Paardt) en de analyse met literatuuropgave van Francis Bulhof in het Lexicon van Literaire werken (red. Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure [e.a.], Groningen 1989-1994). De historische achtergrond van de Duitse dienstmeisjes wordt belicht door Barbara Henkes in Heimat in Holland, Duitse dienstmeisjes 1920-1950, Amsterdam 1995.

